Toen ik de hond uitliet in het bos zag ik overal eikeldopjes liggen. Ik raapte er drie van de grond, stak ze in m’n broekzak en nam ze mee naar huis.

Toen m’n zoontje thuiskwam van school liet ik hem de dopjes zien. ‘Hier kun je mee fluiten,’ zei ik. Grote bruine ogen: ‘Echt?’ 

Ik liet hem zien hoe je je duimen houdt en hoe je het dopje tegen je mond zet. Hij probeerde het en probeerde het opnieuw en faalde. Ik zag hem steeds kwader worden en kende dat gevoel nog van mijn eigen kindertijd. Alsof volwassenen iets achterhouden, alsof ze nog iets anders moeten zeggen waardoor je weet hoe het wél moet. En ze hebben ook altijd zo’n grijns op hun smoel. Tja, oefenen hè. Maar op dat moment geloof je dat gewoon niet. Het zou gewoon nú al moeten lukken, zo, op deze manier, zoals je het aan het doen bent. Dus die volwassene die is waarschijnlijk een stukje uitleg vergeten. Je wílt ook niet oefenen. Oefenen druist in tegen alles wat je wilt en wat je bent. Je weet ook bijna zeker dat het je door alleen te oefenen nooit gaat lukken. Ik heb dat gevoel vaak gehad, ook nog tijdens mijn volwassen leven, ook nu nog, bijvoorbeeld als ik een roman probeer te schrijven.

Ik liet hem vechten met dat eikeldopje en ik liet hem zijn gang gaan. Ik grijnsde. Tja, oefenen hè. Want wat je zelf hebt meegemaakt, wil je nu eenmaal ook graag je kinderen aandoen.

Ik zag die woede en frustratie en voelde mijn eigen glimlach. Het was de glimlach van een Zenmeester.

‘Kijk,’ zei ik, en pakte zelf ook een van de eikeldopjes. Ik plaatste het ding onder mijn duimen, precies zoals het moet, en ik blies erop. Het lukte niet. Geen geluid. Alleen maar het suizen van lucht. De tweede keer lukte het ook niet. De derde keer ook niet.

‘Deze eikeldopjes zijn niet goed,’ zei ik. ‘Er is iets mis mee.’

Daarna aten we een paar dropjes. Gewoon.