In de trein lees ik Verslaafd aan liefde van Jan Geurtz. Hij zal het zelf geen zelfhulpboek noemen, maar dat is het wel een beetje. Maar prima. Over de drang naar erkenning, die weer voortkomt uit een negatief zelfbeeld, of zelf-afwijzing, die zijn oorsprong heeft in de jeugd en opvoeding.

Schuin tegenover me zit een jonge vrouw Big Magic van Elizabeth Gilbert te lezen. Ook een soort zelfhulpboek, over de ‘mysterieuze bronnen van de inspiratie’, ‘balancerend tussen spiritualiteit en vrolijk pragmatisme’. De vrouw kijkt af en toe naar me. Ze ziet mijn boek en ik zie dat van haar. We kijken weg.

Aan de andere kant, ook schuin tegenover me, zit een echtpaar van middelbare leeftijd. Allebei grijs. De man lang en sober, de vrouw zonder make-up, haar vingers strak vervlochten op haar schoot. Ze dragen allebei een fleecetrui. Hij een rode, zij een groene. Op die van hem staat ‘outdoor’. De vrouw kijkt verontwaardigd; het lijkt haar vaste gezichtsuitdrukking te zijn. De man vangt mijn blik en kijkt defensief, zijn wenkbrauwen een beetje verbitterd opgetrokken, alsof hij vermoedt dat ik om hem en zijn vrouw binnenpretjes heb. Dit alles in een fractie van een seconde. Als ik wegkijk vang ik de blik van de jonge vrouw. Ze glimlacht, maar ik wil die glimlach niet; ik wil niet met haar in het zelfhulpboekenhokje.

Als we het station binnenrijden ga ik staan en zie ik een bekende. Hij ziet mij niet. Mijn eerste reactie is wegduiken. En dat doe ik ook. Het is een soort smetvrees; ik kan het niet anders uitleggen.

Vlak voor ik uitstap loop ik langs een heel mooi meisje. Ze hoeft de trein niet uit en blijft zitten. Ze werkt op een laptop. Ze voelt dat ik naar haar kijk, staart nog harder naar haar laptop.

Op het perron stap ik in een frietje. Een solitair frietje. Met mayo.

Ik schrijf hier steeds een stukje. Steeds stukjes. Stukjes, stukjes. Je kunt ze delen; zie de buttons hieronder. Ik schreef ook een roman: Bidden en vallen.