Vaders op vakantie. We grimassen achter het stuur, trekken onze gezinnen voorwaarts. Dorp naar stadje, kerk naar kasteel. De zon volgt, extra fel, verontwaardigd omdat we hem wilden ontvluchten. Ledematen loom, hoofden gonzend. Een explosie van hitsige vliegen, dronken van ons zweet. Honger en dorst, tongen tegen gehemelte geplakt. We hopen op een espresso, op een gestolen moment van stilte, schaduw, een herstel van al onze uitbarstingen. ’s Ochtends het dorp in, op zoek naar stokbrood en beleg, jager-verzamelaars, onze prooi verpakt in cellofaan en vol medelijden aangereikt door de juffrouw waartegen wij stamelen. Toch zijn we trots. Onze gezinnen zijn gered, ze zullen overleven. Cigals tjirpen de tijd voorbij. Uitgeput plakken onze kinderen aan onze blote benen. We stoppen ze als hompen kauwgom in de auto, laten ze tot leven komen in het zwembad. We willen ontsnappen, denken aan onze wilde jongensjaren. We glimlachen naar onze vrouwen, pijlen elkaars vermoeidheid. Een flesje Kronenbourg, een flesje Chimay. De gisting trekt onze hersenen in, maakt alles tot pulp. Steeds dieper gaan we de schaduw in, steeds verder kruipen we achter onze zonnebrillen. Maar we worden gevonden, worden altijd gevonden, moeten altijd weer overeind komen. Het water glinstert. We laten ons voorover vallen en zinken naar de bodem, gestorven, tot een einde gekomen. Maar, regard: aan de oppervlakte toch weer tot leven gewekt, veranderd in beesten, ons kroost schaterlachend boven onze hoofden getild. We zijn vaders, we kunnen dit. De avond een bevrijding waarin voornemens worden opgeschort, bedtijden uitgesteld. Drank en kaarten. Discussies die zichzelf uit ons trekken, zichzelf voeren, het kaarslicht doen verwaaien. ‘Stil,’ zeggen we, en wijzen liefdevol naar de dikke pad die over het grind sjokt, zelfverzekerd als een sumoworstelaar, het complete universum weerspiegeld in zijn zwarte ogen. Lege fles whisky, motjes dood op tafel. Een blik op een horloge. ‘Jezus,’ zeggen we. ‘Jezus.’