Zweetparels op de neuzen van de kinderen. Een tractor rijdt voorbij, de boer zwaait, we weten niet of hij het meent; we zijn luidruchtig. Een dot rook van de barbecue stijgt op, verwaait, regent asvlokjes op de kiezels. Een kever loopt over het houtskool, de vlammen tegemoet. We zoeken onze kinderen. Ze zijn kwijt, worden gevonden, zijn kwijt, worden gevonden. Zevallen en huilen en gillen en joelen. Ze gaan naar bed, hun lijfjes heet en klam, klein en nederig in een huis dat kraakt en zucht onder het gewicht van de stenen, de jaren, de mensen, de drank en de spokende nachten. De spelregels van poker op een iPad. De plop van een wijnkurk. Een mot kruipt over de kaars omhoog, verbrandt zijn vleugels aan de vlam, valt op tafel en roffelt als een drummer. Blikken heen en weer. Het voornemen om naar de sterren te gaan liggen kijken. Een boek open op tafel, de bladzijden bewegingloos in de windstille avond, de woorden ongelezen en geduldig op het papier. Het ijzingwekkende gegil van een nachtvogel. ‘Of van een kikker,’ zegt iemand. Tanden poetsen onder een zoemend TL-buisje. Muggen die zonder aarzeling hun leven wagen: bloed of de dood. Een onbekend matras, vreemde geluiden, gesnurk in de kamer hiernaast. Het holst van de nacht. Onheilspellende voetstappen in het grind, buiten. Ogen dicht. Slaap slokt ons op. Dan de kamers gevuld met goud. Oogverblindend. Het aanzwellen van de eerste kinderstemmen. De nacht een herinnering. Alles tot leven gewekt. Een zucht: aan het werk. Brood en croissants kopen in het dorp. Dode vliegen op de tegels. De lucht helblauw. Kaarsvet op tafel. Een leeg bierflesje. Iemand heeft koffie gezet. Godzijdank. Prille hitte. De uren met elkaar versmolten.