Er krabt hier steeds iets aan de voordeur. Of het graaft in de aarde er vlakbij of zo. Een muis misschien, of een egel. Er vliegen heel veel grutto’s. Ook, wanneer het begint te schemeren, veel zwaluwen. De man van het taxibusje – er komt in dit dorp geen reguliere bus – zette me af in het verkeerde dorp. Ik moest een halfuur lopen, met m’n koffer en een volle tas boodschappen, in de regen. En terwijl ik zo liep, langs de paarden en schapen, en de ruimte die zich zo om me heen uitstrekte, dacht ik alleen maar: Ja, dit is goed, dit klopt, juist ook deze barre tocht. De tocht naar binnen toe, je eigen verleden in, mag best een beetje bar zijn.

En ook het huisje klopt. In een dorp van amper een paar huizen en een kerk. En boerderijen natuurlijk. De weg loopt dood; na dit dorp komt er geen ander dorp meer. Ik ben aan het einde van de wereld beland. Bij wijze van spreken dan hè.

Ik schrijf veel, maar dat lijkt me logisch, want daarvoor kwam ik hier. Soms ga ik een eindje wandelen. Of gewoon alleen maar buiten staan. De wind blaast dan leegte in me. Goede leegte. Schone leegte. En in die leegte, die heldere leegte, zie ik de dingen weer wat beter. Hoe het ging, toen, vroeger. En dan denk ik: O ja, en dat, en dit, en dat ook nog. En als ik daar dan zo buiten sta, en ik al die nieuwe herinneringen niet langer meer kan houden in de armen van mijn geest, dan ga ik snel naar binnen.

Ik heb veel geworsteld. Met de vorm, vooral. De materie valt me soms ook zwaar, maar dat is geen worstelen. Dat is emotionele zwaarte, en die is niet erg. Die heb juist nodig. Hoe ga ik jullie anders met dit boek in je hart raken?

Ik kook linzen met koolvis en tomaat. Al drie dagen. Dat had niet gehoeven, natuurijk. Ik had ook, zeg, kaasfondue en een magnetronmaaltijd kunnen meenemen. Maar gun me dit gevoel van een Spartaans bestaan nu even.

Ik lees hier ook een boek. OnZen, een woordspeling op zen en onzin, van de filosoof Jan Bor. Over moderne spiritualiteit. Een nuchter en wijs en tegelijk geëngageerd boek, waarin Bor voorbij de zen-beoefening is gegaan, en nu, achterom kijkend, ziet dat er heel veel niet aan klopte. Op pagina 115 kwam ik ineens een passage tegen over een sesshin (een zen-retraite) die Bor bijwoonde, in een klooster in Limburg. En ik besefte: Verrek, daar was ik ook bij! 

Niet alleen dat; ik vond ook een passage die ik misschien ga gebruiken als motto voorin mijn boek, en waarmee ik jullie zal achterlaten:

Het unieke individu dat je bent laat zich – juist omdat het uniek is – niet onder een algemeen begrip vangen. Alleen jij kunt daartoe inkeren en zo raken aan jouw unieke zelf: je hart. Tegelijk moet je het – voorbij elke gedachte en fantasie erover – elke keer een tastbare vorm geven. Het zelf, jouw zelf, ligt daarmee niet vast en is in die zin nooit werkelijk en blijvend, zoals een object buiten je lijkt te zijn. Hoe concreet ook, het is telkens in wording. Als zodanig is het pure dynamiek, een oproep tot handelen: jezelf zijn is jezelf worden.

Adios!


Gisteren verscheen op De Correspondent mijn verhaal over mijn bezoek met Theo Maassen aan een groot vechtsportgala. Ik verstuur mijn stukjes ook als nieuwsbrief. Mijn roman heet Bidden en vallen