Mijn rode port was op, en ik had ook geen kaas meer voor mijn krentenbollen, dus moest ik lopen naar het dorp verderop. In het dorpje waar ik ben zijn geen winkels; daar is het te klein voor. Het regende en waaide. Over de weg kropen grote dikke naaktslakken. De schapen zochten beschutting bij zichzelf. Dus niet bij elkaar, nee, bij zichzélf. Want schapen kunnen dat. (Ja ja, mits nog voldoende vacht.)

Een halfuur lopen heen, een halfuur terug. Bij de kleine kruidenier stond nog één sixpack Duvel. Ik lustte daar best twee flesjes van, want ik ging voor die laatste avond niet nog een hele fles port inslaan. Maar ik mocht van hem geen twee flesjes kopen. Het was die hele sixpack of niets. Toen kocht ik in plaats van Duvel de duurste fles rode wijn die hij had, à vijf euro vijfennegentig. Bij het afrekenen nam hij nog even zijn dag met me door, waar ik niets van verstond.

Op de terugweg, toen ik ‘mijn’ dorpje weer binnenliep, kwamen me twee grote machines tegemoet. Ze maaiden de berm met een imposante, mechanische arm. Het waren gewoon boeren uit het dorp die dat deden, dat kon je zien. Zo doen ze dat hier. Dit is hun land. Ze regelen het zelf wel. Ik was daar ineens heel jaloers op. Want als je hier het nieuws gewoon niet kijkt, dan is het leven eenvoudig, en dan los je de problemen samen wel op. Een Brexit, zeg je? Sylvana Simons, zeg je? Erdogan, zeg je? Nooit van gehoord.

Daarna at ik weer linzen met koolvis. Want dat doe ik hier. Dat is inmiddels, na vier dagen, traditie.

Het huisje is heerlijk. Ik zie niemand. Soms denk ik: zouden ze me vergeten zijn? En dan bedoel ik niet jullie, maar de eigenaren van het huisje en de mensen van het dorp. Misschien zijn ze zowel mij als het huisje vergeten en kan ik hier voor altijd, in volstrekte stilte en anonimiteit, blijven wonen.

Ik gebruik steeds hetzelfde bord, dezelfde pan. Ik maak bijna niets vies. Ik heb al besloten dat als ik hier later vandaag wegga, ik alles precies zo zal achterlaten als het was toen ik arriveerde. Het enige teken van mijn verblijf zullen de Merci-chocolaatjes zijn, die ze voor me hebben neergelegd in een glazen schaaltje op tafel. Het zullen er twee zijn ipv de initiële vier. Twee opgegeten, twee laten liggen. Dit zal ze aan het denken zetten.

En natuurlijk zullen ze het voelen. De fantastische zinnen die hier zijn geschreven. De hartverscheurende passages. Dat krijgen ze er niet meer uit, ook niet als ze alle deuren en ramen tegen elkaar open zetten. De stilte hier zal nooit meer dezelfde zijn. Ze zullen elkaar aankijken en dat beseffen.


Meer nieuws mbt mijn werkzaamheden voor De Correspondent: Vera Mulder richtte een team van schrijvers op, en daar hoor ik bij. Mijn stukjes verstuur ik ook als nieuwsbrief. Mijn roman heet Bidden en vallen.