In de trein stond ik tussen de mensen bij de deuren, klaar om uit te stappen. Iedereen was gericht op de deuren, op uitstappen, op doorgaan. Maar één man keek naar mij. Een grote man, ik gok eind veertig, grijzend, een poloshirt. Behoefte en schroom in zijn ogen. Ik wist dat hij me ging aanspreken, dat zijn behoefte het zou winnen van zijn schroom.

De trein kwam tot stilstand. Dat korte, pompende geluid vlak voor de deuren opengaan was de klap die hem wakker sloeg: Nu of nooit. ‘Jij schrijft een column in de Happinez toch?’ vroeg hij. Ik knikte, maar van binnen kromp ik ineen. Als iemand me aanspreekt heb ik dat eigenlijk altijd. Ik noem het sociale smetvrees. 

‘Mag ik je wat vragen? Heb je even tijd?’ Ik zei dat ik haast had. Ik was al bijna te laat voor de eerste kickbokstraining na drie maanden geblesseerd te zijn geweest. Dat zei ik niet. Ik zei alleen dat ik haast had. Nu zag ik dat wat ik eerst had aangezien voor behoefte in feite wanhoop was. Dat beangstigde me. ‘Mag ik dan even met je meelopen?’ vroeg hij. Hij sprak snel, nerveus, incoherent.

Samen liepen we over het perron. ‘De Happinez,’ zei hij. ‘Ik heb die ook allemaal gelezen, maar ik heb nog steeds vragen.’ Hij sprak over de Happinez alsof het de Upanishads betrof, of de Bhagavad Gita, of de Pali Canon. ‘Mag ik eerlijk zijn?’ vroeg hij. ‘Ik kom niet meer in contact met mezelf. Ik heb het best moeilijk en ik weet niet hoe ik in contact met mezelf moet komen.’ Hij vertelde dat hij op aanbevelen van vrienden met horoscopen in de weer was gegaan, en dat hij werd bijgestaan door een vrouw die met geesten kan praten. En wat ik daarvan vond.

Ik antwoordde, nog steeds lopend, dat ik niet dacht dat daar iets te halen viel. Dat ik daar ver bij vandaan zou blijven. Ik probeerde uit te leggen waarom – het zijn gewoon weer verhaaltjes, uitvluchten – maar hij leek het niet te registreren en stelde alweer nieuwe vragen. Ik begon halfslachtig over meditatie, en over stilte, maar het kwam niet over. Hij was te nerveus en ik had te veel haast. Toen we het station uitliepen maakte ik me van hem los als de gevangene van een kidnapper.

Ondertussen was er een stemmetje in mij. Een stemmetje dat zei: Praat met hem, neem de tijd voor hem. Ik had koffie met hem kunnen drinken. Tegen hem kunnen zeggen: Er is geen redding, en zeker niet ergens anders. Er is alleen hier redding. Hier, dit, dit is je redding. Jij, met al je vragen, bent zelf het antwoord. Je kunt niet níét in contact met jezelf zijn. Er is geen jij los van jou… En ook al had hij het niet willen horen, ook al had het hem niet geholpen; ik zou op z’n minst een keer hebben geluisterd naar de hartenkreet van een vreemde. De pijn van een vreemde doet een beroep op je, of je dat nu wilt horen of niet.

Ik liet de man lopen en ik ging trainen en de training was heerlijk.


Het is waar: ik verstuur deze stukjes ook per mail. Klik hier. Bovendien schreef ik een roman die, op z’n minst, de moeite van het lezen waard is: Bidden en vallen.