Sinds een paar maanden schrijf ik een vaste column voor het tijdschrift Happinez. Dat lijkt misschien een vreemde combinatie, een spirituele lifestyle glossy en ik, maar toch valt dat wel mee. Denk ik. Ik kloot nu al een aantal jaren aan met het boeddhisme. Noem mezelf absoluut geen boeddhist, en ben dat ook niet, en ik weet ook niet precies wat een boeddhist ís. Maar ik lees graag Shunryu Suzuki, en Nagarjuna, en Stephen Batchelor, en Brad Warner, en Peter Matthiessen, en meer van dat soort types. Ik zit dagelijks op een rond kussentje, dat ook. Dus geef het maar een naam. Om je een idee te geven van mijn column, hieronder vind je die van vorige maand.

Begin maart verloor ik een oude vriend. Hij legde de kleren klaar die hij in de kist wilde dragen, ging op een stoel zitten, zette een koptelefoon met muziek op, nam een nauwkeurig gedoseerde hoeveelheid slaappillen in en glipte weg. Hij deed dit op zolder in het huis van zijn moeder. Zij wist ervan, evenals zijn zus. Hij had hen om toestemming gevraagd. Hij was moe. Hij kon niet meer. Ze kenden hem. Ze stemden in.

De dagen na zijn dood waren schitterend. Vroege lente, koud, maar stralend weer. Ik voelde een diep verdriet en was tegelijkertijd vervuld van bewondering. Alles wat ik zag was doordrongen van zijn dood, ermee verzadigd. Ik wandelde door het bos en hoorde en zag en rook in alles de dood. Vooral zijn dood, maar ook dé dood. De dood in beweging, in leven. Onder die felle zon was alles ineens strak afgetekend, ieder blaadje was felgroen, iedere zucht wind was de adem van God. Zelfs in de auto’s op straat zag ik de dood, wanneer het zonlicht op hun daken afketste, wanneer het razen van hun banden langs mijn gehoor trok. Ik heb de wereld nog nooit zo levend gezien, zo intens ervaren.

Op de dag van zijn begrafenis wierpen alle mensen, zwijgend onder een strakblauwe hemel, om beurten een roos in zijn graf. Het gezang van de vogels was oorverdovend. Er moeten die dag honderden kuikentjes zijn verwekt. Naast het graf lag de hond van mijn vriend zachtjes te janken. Van verdriet, dat moet de gedachte zijn geweest van velen. Iemand anders wist me later echter te vertellen: ‘Een hond ruikt het lijk. Hij ruikt gewoon een karkas.’  

Mijn eerste reactie was: wat cynisch. Maar waarom? Wat was er cynisch aan? Die hond was wat hij was en voelde wat hij voelde. De behoefte van de mens aan romantiek en symboliek is precies dat: een behoefte. De behoefte van die hond was om een karkas op te graven. Pas als je ook dáárvan de schoonheid kunt inzien ga je werkelijk het leven waarderen.  

Of misschien ook niet. De dag na de begrafenis liep ik met mijn eigen hond in het zinderende, gonzende bos, en ineens schoten al mijn redeneringen, zoals die hierboven, hopeloos tekort. Plots moest ik al mijn wijsheid weer laten varen. Mijn theorietjes over het leven kwamen op me over als verzinsels, slechts een aaneenrijging van woorden. Ineens had ik niets meer om me aan vast te houden. Er was alleen nog maar het bos, de zon, en de bulderende, duizelingwekkende aanwezigheid van het leven. En zelfs dat begreep ik niet meer. Zelfs het kleinste grassprietje begreep ik niet meer, noch de kleinste mier. En in dat niks, in dat totale niet-weten, in die leegte, was álles aanwezig, sterker dan ooit. Zonder woorden riep het naar me. Het liet er geen enkel misverstand over bestaan. Dit bestaat. Wat het ook is. Het bestaat. En dat was alles.

Overweldigd, verward, dankbaar en verdrietig liep ik het bos uit. Nog geen minuut later stond ik op een automobilist te vloeken. Hij had mij en mijn hond geen voorrang verleend. Na dat vloeken schoot ik in de lach. Niets, dacht ik. We hebben niets en we hebben alles. En zo wandelde ik naar huis, onder de zon, doordrenkt van de dood, doorweekt van het leven.