Ik heb een hebi. Een innerlijke demon. Het is een Winti-term (Surinaamse, voodoo-achtige religie). Ik hoorde het van een vriend van Surinaamse afkomst. Dat ik er eentje heb, bedoel ik.  

Ik vertelde die vriend over een nachtmerrie. Voor ik in slaap viel hoorde ik gestommel. Waarschijnlijk de buren. Ik was toch al onrustig. Toen, ’s nachts, hoorde ik iets buiten het raam. Alsof er iemand op het dak liep. Ik ging kijken en zag een vrouw gehurkt vlak voor het raam zitten, op de dakpannen. Ze was oud en pikzwart en keek me aan met priemende, wilde ogen. Ik had ineens een lege bierfles in mijn hand. Ik wilde zeggen dat ze weg moest, dat ik anders zou slaan, maar ik sprak haar taal niet, en volgens mij kon ik ook niet echt praten. De arm met de fles kon ik niet bewegen. 

Het kan zijn dat ze terugkomt, zei de vriend. Dan kan ik maar beter actie ondernemen. En als ze me aanraakt, dan is het pas écht goed mis. (Hij en zijn moeder hadden een tijdje dezelfde hebi.)

Waarom ik die hebi heb? Blijkbaar kan dat van alles zijn. Ik moet mezelf misschien ergens voor vergeven (goed mogelijk). Iets onder ogen zien (goed mogelijk). Ik ren ergens voor weg (goed mogelijk). En dat ik niet kon praten en bewegen, dat duidt op een gevoel van gebrek aan controle en identiteit (goed mogelijk). Jouw hebi zit in je nek, zei de vriend. Rechts, langs je hoofd, tegen je ruggengraat.

Ik lachte erom, maar de laatste dagen voel ik steeds even aan mijn nek. Ik ben onrustig. Fucking hebi, denk ik dan. Zoals die oude vrouw naar me keek, ook dat kan ik maar moeilijk van me afschudden. Ze wist iets en ze zag iets en ze wist dat ik, als ik heel eerlijk ben, het diep van binnen ook wel weet. Maar het lukt me niet. Ik krijg het niet helder voor ogen.

Fucking hebi. Nog even en ik reis naar de jungle van Suriname. Mouwen opgestroopt. The day of reckoning. 

Ook met hebi schrijf ik hier iedere dag een stukje, van maandag t/m vrijdag. Deel ze als je ze leuk vindt. Ik schreef ook een roman: Bidden en vallen.