Ik had weer wat paddo’s door mijn ontbijtkwark geroerd. Ik woog het af: 0,5 gram. Ietwat aan de hoge kant, dat besefte ik al wel. Ik moet eigenlijk zeggen: paddo, enkelvoud, want het was er maar eentje. Een potente, zo bleek, want het schrijven lukte niet meer. Het was me allemaal te tweedimensionaal: het scherm, het toetsenbord. Ik verloor alle connectie met het apparaat, en zelfs met de woorden. De zon scheen, ik moest naar buiten.

Dat die ene paddenstoel heel wat in zijn mars had (ik vind paddo’s eerder vrouwelijk, maar Van Dale dicteert dat ze mannelijk zijn) merkte ik toen ik een dikke BMW zag staan, glimmend in de zon, en ik alleen maar kon zien wat een mooie auto het was, zonder associaties met rijkelui, maatschappelijk bombast, geldverspilling, milieuschade, etc.; al die dingen die Aldous Huxley ‘tweedehands kennis’ noemde in zijn mescaline-essay The Doors of Perception. Wat was het ook alweer? To see things as they truly are. De dingen zien zonder referentiekader, als zoiets al mogelijk is. In ieder geval zag ik alleen maar de perfecte vormen, het glimmen van de lak in de zon, de krachtige grille.

Een meter of tien voor het bos liep ik achter een jongen met een grote rugzak en Nordic walking-stokken. Zijn rugzak had hij versierd met Tibetaanse gebedsvlaggetjes. Ik dacht: Ja hoor, nu loop ik natuurlijk de hele route achter die hippie. Maar hij ging het bos helemaal niet in. Hij sloeg af en vervolgde zijn weg over de stoep. Zijn vlaggetjes wapperend: Om mani padme hum.

Ik liep langs het hek in het bos waar ik altijd wandelde met mijn hond, Cuba, die nu dood is. Bij dat hek was ik altijd gespannen; erachter zaten twee heel agressieve waakhonden die ineens tevoorschijn konden komen en dan hun bek happend en blaffend tussen de spijlen staken. Ik moest mijn eigen hond bedwingen, want die reageerde met dezelfde agressie en bereidheid tot bloedvergieten.

Ik voelde het sentiment. De gedachte aan mijn hond. Haar dood, in hetzelfde weekend waarin ik mijn vrouw verliet. Het voorbijgaan van alle dingen, dat oude vertrouwde gevoel dat mij zo vaak opslokt en verzwelgt. Maar ik kon eroverheen stappen. Het was alsof ik dat sentiment kon zíén. Het speelde zich af, het voltrok zich, maar ‘ik’ stond er los van.

Het lopen was goed. Het fysieke, wat natuurlijk ook het mentale is. De bomen waren goed, de lucht was goed, de mijmeringen waren goed.

Na een uur lopen zat ik op een bankje met mijn gezicht naar de zon. Vogelgekwetter in de leegte. De leegte die ruimte is. De ruimte die nooit leeg kan zijn. Ik loste erin op en – zoals altijd wanneer je je niet langer kunt vasthouden aan gedachten en ideeën – was er heel even de vrees. Ik probeerde terug te komen bij de laatste gedachte, als iemand die grijpt naar een wegdrijvende boei. Er was iets belangrijks, maar wat was het nou ook alweer? In het zenboeddhisme spreken ze dan van het loslaten van een paal. Springen. Maar waarin? Laatst hoorde ik het iemand omschrijven als the abyss.

Iemand die dement wordt voelt waarschijnlijk precies die angst. Waar dacht ik nou net aan? Er was toch iets? Op jongere leeftijd kun je dergelijke verwarring misschien makkelijker accepteren. En de angst ervoor is niet onbegrijpelijk: het is in feite de dood. Geen referentiekader meer, geen concrete gedachten. Alleen maar de ruimte en leegte waarin die vogels kwetteren, alleen maar het zonlicht, zonder iemand die er woorden of vorm aan kan geven. De dood van het ego, als je het in pseudo-spirituele termen wilt zeggen.

De dood en de vrijheid. Je voelt soms hoezeer die twee dingen op elkaar lijken. De drang om te springen. De angst om te vallen. Het verlangen om op te lossen. De angst om geen vorm meer te hebben. 

En dan gewoon weer naar huis wandelen. Move along, folks. Nothing to see here.


Pas verschenen: Wij zeggen hier niet halfbroer, waarover Sylvia Witteman afgelopen zaterdag schreef in de Volkskrant: ‘Een echt, fijn, ontroerend mensenboek, pijnlijk oprecht en bovendien geestig.’ Je abonneren op deze stukjes kan HIER.