Gisteren heb ik met Elik, mijn uitgever en redacteur, over Wij zeggen hier niet halfbroer gesproken. De stapel A4’tjes op tafel tussen ons in, haar aantekeningen in de kantlijnen. En zeker: een streep door een zinnetje hier en daar. Maar een boek telt natuurlijk ook heel veel zinnetjes, dus ik kan er best een paar missen. We willen publiceren in het voorjaar.

Een meesterwerk wordt het, zegt ze. Mocht je het nog niet weten: het is een boek over mijn jeugd. De ondertitel is: Een jeugd. Waarmee ik hoop te communiceren dat het geen heel erge jeugd betreft, of een heel spectaculaire. Het is gewoon een jeugd, zoals mijn leven ook gewoon een leven is. Een leven hoeft niet uitzonderlijk te zijn om zich te laten vertalen naar mooie literatuur. De schrijver moet alleen oog hebben voor het uitzonderlijke ín dat gewone leven.

De stapel zit nu nog in m’n tas. Ik ga er komende week weer mee aan de slag. Het werk dat ik heb te verzetten is niet onverzettelijk. Het is niet als met Bidden en vallen, toen ik al die personages en tijden met elkaar moest verweven en steeds weer moest terugbladeren om te kijken of het allemaal nog wel klopte.

Ook het omslag is klaar. Dat laat ik je nu nog niet zien. Als je ook maar een beetje verstand hebt van marketing dan weet je dat je mensen steeds een teaser moet geven. Ook dit stukje is een teaser. Ik mag niet meteen alles prijsgeven. Ik moet de mensen hongerig maken.

Nee, wacht, mensen zíjn natuurlijk al hongerig. Altijd hongerig. Ik moet hun honger dus naar me toe zien te trekken.

Ik liet het boek ook al aan schrijver Walter van den Berg lezen. Die mailde me vervolgens dat hij me wilde knuffelen. Ik hoop niet dat ik diezelfde aandrang bij jullie allemaal teweeg breng. Een mooie boel zou dat worden. Maar als ik dat ervoor over moet hebben; het zij zo.


Ik stuur je deze stukjes graag automatisch per mail. Klik hier als je dat wilt. Mijn roman heet Bidden en vallen. Fijn weekend.