Mijn oudste zoon ging gisteren voor het eerst met de waterscouting een nachtje weg. Kamperen en zeilen in Lith (wat klinkt als de naam van een stad voor vampiers, but that’s neither here nor there).

Eind van de middag werd ik gebeld. Hij was op het strand in een scherf gaan staan. Een snee van drie centimeter. Ze waren met hem naar de huisartsenpost gereden, waar ze hem lokaal verdoofden en hechtten. Meteen daarna, in het kamp, deed hij al snel te wild, dus toen begon het weer te bloeden en konden ze opnieuw met hem naar de huisartsenpost. Hij huilde, om de angst en de pijn en omdat zijn ouders er niet waren, maar hij wilde niet dat we hem kwamen halen. Hij beet op zijn lip en zette door. Wilde ook de filmavond niet missen.

De dag erna was volgepland met activiteiten. Daar kon hij niet aan meedoen, dus ging ik hem halen, na het ontbijt. 

Toen ik de auto daar parkeerde, bij het water, zag ik hem al zitten. Bij zijn tassen. Pips. Zodra hij me zag moest hij een beetje huilen. Pas als je je ouders ziet voel je weer hoe klein je nog bent. Nu pas liet hij het toe, dat hij het eng had gevonden. Ik omhelsde hem, kuste hem.

Op de terugweg stopten we bij McDonalds’s voor pancakes met stroop en een Egg McMuffin. Ik droeg hem naar binnen, als een bruid.

Hij at in stilte. Niet sip, maar ook niet wild, zoals gewoonlijk. De dag met spelletjes zou hij moeten missen, maar hij had dit: de aandacht, de zorg, de pancakes. En hij was moe. Ik zag een soort berusting die ik nooit eerder bij hem zag. Acceptatie. En ik denk dat hij dat zelf ook voelde, want toen ik zijn blik ving glimlachte hij naar me zoals een volwassene dat zou doen. Zo’n glimlach die zegt: Het is goed. Die even goed naar binnen toe troost als naar buiten toe.

En ineens was ik een soort van blij. Blij dat hij in die scherf was gaan staan.


Een stukje op zondag?! Wel heb ik ooit! Deze stukjes als nieuwsbrief ontvangen? Klik hier. Ik schreef een roman: Bidden en vallen