Een paar maanden geleden had ik na een kickbokstraining een armblessure. Kon amper een plastic tasje met wat boodschappen erin dragen. Het zat onderaan mijn biceps, waar de biceps overgaan in de onderarm. Het herstel duurde twee maanden en ook daarna was het eigenlijk nog niet over. Ik kon, en kan, de biceps van mijn linkerarm nog steeds niet volledig aanspannen. Als ik voor de spiegel sta zie ik het verschil tussen de twee armen: de bal van de biceps in de linkerarm staat minder bol, is minder strak gespannen, alsof er iets niet ‘pakt’. 

Ik ging eten bij mijn broer en schoonzus – hij is fysiotherapeut en zij huisarts – en ik liet het ze zien. ‘Hoe zit dit?’ wilde ik weten. Ze keken ernaar en voelden eraan en overlegden.

‘Het lijkt erop dat er een pees is losgescheurd,’ was de conclusie. Gewoon helemaal losgekomen. 

‘Oké,’ zei ik. ‘Wat moet ik doen? Hoe gaan we dit fixen?’

‘Niet.’

‘Niet?’

‘Niet.’

‘NIET?!’

‘Niet.’

Ik kon het niet geloven. Ik ben zesendertig. Als er iets kapot is dan heelt dat verdomme vanzelf of het wordt gerepareerd. Nee dus. Niet dus. Er gaan dingen aan mij kapot die niet meer te repareren zijn. Die nooit meer overgaan. Het maakte me angstig en woedend.

Ik slenterde naar huis, waar ik in de spiegel naar mijn impotente biceps ging staan kijken. Daarna trok ik mijn onderlip naar beneden. Al jaren geleden heeft het tandvlees zich daar enkele millimeters teruggetrokken. ‘Tandvlees groeit nooit meer terug,’ heeft de tandarts gezegd.

Het is wachten op het volgende onherstelbare, onomkeerbare defect. En dan op het volgende, en het volgende. Zo flikker je langzaam uit elkaar. En er is niemand om je weer in elkaar te zetten. Al je onderdelen vliegen bij je vandaan.


Gelukkig heb ik nog wel vingers om mee te typen. Abonneer je HIER op mijn stukjes. Bestel mijn roman, Bidden en vallen, bijvoorbeeld HIER.