Gisteren reden er minder treinen. Vanwege de storm. Toen ik Eindhoven Centraal inliep zag ik de chaos en paniek meteen in ieders ogen. Ik moest naar Amsterdam en die trein reed alvast niet. Ik liep door het station en prevelde: ‘Though I walk through the valley of the shadows of death, I shall fear no evil.’

Uiteindelijk stapte ik in een trein naar Utrecht en zat ik met een boek aan het raam op een stoel. Een vierzits. Het werd drukker en drukker. Twee grijze dames kwamen de coupé binnen. Geen stoelen meer vrij. Ik bestudeerde hen nauwkeurig en hoopte te zien dat ze zo oud nog niet waren. Dat waren ze ook niet. Maar toch wel ouder dan zestig, vreesde ik. In ieder geval de linker. Ik ontkwam er niet aan.

‘Gaat u maar zitten, mevrouw,’ zei ik, waarop de rechter – die best vijfenvijftig kon zijn – zich omdraaide en zei: ‘O, dank u!’ Toen ze zich in de restwarmte van mijn billen nestelde zei ik: ‘Ik bedoelde eigenlijk die andere mevrouw.’ Ze keek me aan en wilde weer opstaan. De andere vrouw kreeg in de gaten wat er gaande was. We keken elkaar aan: ik de vrouw die zat, de vrouw die zat de vrouw die stond, de vrouw die stond mij. (Wat een zin.) ‘Het is mij om het even hoor,’ zei ik snel. De verwarring werd bezworen toen een man zijn plaats afstond aan de vrouw die nog stond.

Ik stond in het gangpad en las het fantastische Sapiens, een kleine geschiedenis van de mensheid. Ik ben er pas net in begonnen. We hebben Afrika verlaten en zijn begonnen aan onze opmars. Jammer voor de Neanderthalers, jammer voor Homo Erectus en jammer voor al onze andere neven en nichten. Jammer voor de grote dieren. Leuk voor ons. Of nou ja.

En dat allemaal vanwege onze cognitieve revolutie. Vanwege geloof, ook. Vanwege fictie. Dingen verzinnen die niet bestaan. Goden, grenzen, etc. En roddelen! Ook dat was belangrijk. Roddelen en geloven. Ineens waren we de succesvolste diersoort. Tevens de meest vernietigende.   

En die verwoestende Sapiens (meervoud) zaten hier allemaal lekker in de trein. De vrouw voor wie ik was opgestaan droeg een mooi oranje fleece-vest. De vrouw naast haar hield angstvallig haar tasje vast. Op het tafeltje voor hen lag een Metro. Op de voorpagina een model van Tommy Hilfiger, haar ontblote buik glad en strak. Een oudere man tegenover de dames las een boek. Hij was aangekomen bij een hoofdstuk getiteld Hier niet-ben ik. Ik vermoed een boek over, of geïnspireerd door, oosterse filosofie. Anatman. Geen zelf.  Misschien wilde hij dat graag. Er niet zijn. Zeker in deze drukte. Als je er niet bent heb je geen last van anderen en kun je ook geen schade aanrichten. Geen onderdeel zijn van een plaag.  

Maar ja. We zijn er wel hè. En hoe.


Op 14 maart verschijnt Wij zeggen hier niet halfbroer. Je abonneren op deze stukjes kan HIER.