Als er zaken zijn die mij woedender en verontwaardigder maken dan mensen die hun hond laten poepen op een grasveldje waar kinderen spelen dan kan ik daar nu zo snel niet opkomen.

De woede die ik voel is groot en heet. Het komt al opzetten zodra ik iemand met een hond op het gras zie lopen, terwijl de meeste mensen de drol gewoon opruimen. Mijn woede om hondendrollen op het speelveldje is – puur emotioneel gesproken – heftiger en overweldigender dan de woede die ik voel om – bijvoorbeeld – de moordpartijen in Syrië. Uiteraard: als ik mocht kiezen wat stopt, de hondendrollen of de oorlog in Syrië, dan zou ik kiezen voor de oorlog in Syrië. Mijn ratio en morele besef zouden mijn instinctieve woede overstemmen. Gevoelsmatig raken die drollen me echter veel dieper. Ze raken me op een wezenlijk, fysiek niveau. Mijn verontwaardiging is simpelweg groter, rauwer, puurder. Ik heb het gevoel dat ik ga ontploffen. De stupiditeit ervan. De laconieke brutaliteit. Zó asociaal. 

Laatst zag ik een jonge vrouw met een wit hondje op het gras lopen. Ik zag de hond zijn achterlijf krommen en iets doen. Was het alleen een plasje? Of poep? Ik kon het niet zien. De woede kwam desalniettemin binnengestormd. Wel godver de godver! 

Maar toen gebeurde er iets geks: op datzelfde moment was ik de vrouw aan het bekijken. Ik bekeek haar lichaam. Ik keek naar haar billen. Ik maakte de afweging: vind ik haar een lekker ding of niet? Klaarblijkelijk vormde mijn woede geen obstakel voor mijn preoccupatie met de voortzetting van mijn soort. 

Woede, verontwaardiging, moraliteit, lust… ze razen en blazen door ons heen. Zonder ons iets te vragen wisselen ze elkaar af als het rood en groen van een verkeerslicht. Jazeker, de mens is grillig.

Dat gezegd hebbende… LAAT JE HOND NIET OP HET GRAS KAKKEN!

 

(Column in Eindhovens Dagblad)