Vorige week schreef ik over het eindeloze leed dat vissen en reptielen ondergaan in de zorg van incapabele dierenwinkels en consumenten. Hoe verdrietig dat me maakt.

Zelf heb ik ook een reptiel; de meesten van jullie weten dat inmiddels wel. Onder mijn stukje verschenen reacties. Iedere reactie haalde ik weg – zoals ik bij ieder stukje doe – maar de strekking van verscheidene van die reacties was me niet ontgaan. ‘Dieren horen niet in hokjes.’ Variaties daarop. Exotische dieren horen niet in glazen bakken zitten. Vogels horen niet in een kooi.

Ik vind die reactie altijd fascinerend. De stelligheid ervan. Het woordje ‘horen’. Omdat deze mensen blijkbaar weten wat hoort en wat niet hoort. Mijn eerste vraag is dan altijd: volgens wie? Een dergelijke gedachtegang is in feite theïstisch. Blijkbaar is er een hogere macht die bepaalde regels heeft opgesteld, en het plaatsen van een hagedis in een glazen bak is daar een overtreding van. Vaker redeneren deze mensen vanuit ‘de natuur’. Voor deze personen heeft de natuur een bedoeling, en wij mensen gaan daar steeds tegenin. Sommige dingen zijn ‘onnatuurlijk’. Ik vind het altijd zo indrukwekkend dat deze mensen ook precies weten wat de natuur wel wil en niet wil, en wat wel en wat niet bij de natuur hoort.

Het lijkt me heerlijk om te weten wat wel hoort en wat niet hoort. Al erger je je dan natuurlijk wel steeds aan dingen die je ziet en waarvan je weet dat ze eigenlijk niet horen.

Ik heb het ook heus wel eens. Bijvoorbeeld als ik een biertje opentrek in een vliegtuig dat op tien kilometer hoogte met duizend kilometer per uur door de lucht raast, en bij de stewardess klaag over de ruis in mijn koptelefoon. 

Het luistert heel nauw, maar deze mensen weten het precies. Een kat bezitten hoort geloof ik wel. Dus dat je een tijgerachtig dier aanschaft, daar iedere dag blikken vermalen, doorgefokt vee voor koopt, en dat je hem loslaat in de tuin en vogeltjes laat afmaken. En steeds foto’s van hem op Instagram plaatst.

Wist ik maar wat hoort en wat niet hoort.

Het valt me altijd weer op dat mensen een heel sterke behoefte hebben om dingen te verdelen in natuurlijk en onnatuurlijk. Blijkbaar zijn wij geen natuur. De aarde was een vuurbal, toen een waterbal. Er ontstonden de eerste ééncelligen, de eerste organismen, de eerste dieren. Het één kwam voort uit het ander. Ook wij. Mijn idee is dan: wij kunnen niets anders zijn dan natuur, en alles wat wij doen is natuurlijk. Maar blijkbaar niet. Blijkbaar is er een moment gekomen waarop de natuur zich aan de natuur heeft onttrokken. Blijkbaar kan de natuur ingaan tegen de natuur. Waar gaat het één over in het ander? Dat weet ik niet. Dat weten die mensen.


Ik schreef ook het boek Wij zeggen hier niet halfbroer. Deze stukjes automatisch per mail ontvangen? Klik hier