De hypotheker. Vroeger gingen we er altijd samen naartoe. Voor het eerst toen we ons huis kochten, daarna af en toe om dingen te regelen. In mijn herinnering hadden we vaak een kater en waren we giechelig. Een generiek kantoor, rood en blauw, een wachttafel met tijdschriften, een kopje koffie met een koekje, gebracht door de receptioniste. ‘Meneer Hendriks is zo bij u.’

We namen het het nooit helemaal serieus. Zeker ik niet. Ik maakte grapjes, plaagde mijn vrouw, wees haar op knulligheden. Ze werd rood als ik dat te luidruchtig deed. Als we eenmaal in het kantoortje van meneer Hendriks zaten sprak hij voornamelijk tot haar. Zij lette beter op, deed meer haar best de documenten te begrijpen. Ik zat er als een schooljongen, met een bijna beledigende nonchalance. Het kwam toch wel goed.

Vrijdag zat ik er weer. In mijn eentje. Als de scheiding rond is neem ik de hypotheek op me. Ik kreeg koffie van de receptioniste, bedankte vriendelijk, at braaf mijn koekje. Ik was niet bijdehand, maakte geen grapjes.

Meneer Hendriks is langdurig ziek. Zijn vervanger was jonger en had stekeltjeshaar waar te veel Etos Styling Gel in was gesmeerd, waardoor er korsten waren gevormd. Ik wilde mijn ex aanstoten, maar de stoel naast me was leeg. In zijn kantoortje luisterde ik nederig naar wat hij te zeggen had. Deze hypotheek was ineens geen grap meer. Ik had straks een huis en een schuld en een slechte riolering en iets wat een alimentair aflossingstraject heet. Ik was nederig en zwijgzaam. ‘U kunt me zo oplichten,’ zei ik, met al die onbegrijpelijke documenten voor me. ‘Ik heb toch niks in de gaten.’ Een echo van de grapjes die ik hier vroeger maakte, een schaduw van de jonge man die ik was.

De hypotheker keek naar me zonder glimlach. Hij zei alleen maar: ‘Daar hoeft u zich geen zorgen over te maken.’

Stukjes, stukjes, stukjes. Ieder’n dag. Deel ze met de knoppen hieronder of ontvang ze per mail. Ik schreef ook een roman: Bidden en vallen.