Ik lees dus het schitterende Hold Still van Sally Mann en ben nu zo ongeveer op drievierde. Gisteren kreeg ik mijn maandelijkse mailtje van CJP, waarin ze me vragen om culturele tips. Die sturen ze dan door naar hun lezers/ abonnees. Tips voor films, boeken, exposities, etc. (Alsof ik ooit op een expositie ben.) Niet alleen ik doe dat, maar ook veel andere creatievelingen.

Ik kon meteen de memoires van Mann tippen. Dat was direct duidelijk, daar hoefde ik niet over na te denken. Maar er was toch nog iets? Wat had ik hiervoor ook alweer gelezen? Ik kon er niet opkomen. Ik staarde naar Oscar in zijn terrarium en ik wachtte af. Het duurde. De vele handjes in mijn hoofd grepen naar ijle lucht.

Toen doemde het op uit de mist. Days Without End, van Sebastian Barry. Het even harde als liefdevolle verhaal over de twee mannen, rednecks, soldaten, geliefden, ten tijde van de Civil War. Hoe heetten ze ook alweer? Dat ben ik al vergeten. Ik was het hele boek dus al vergeten. 

Dus. Het voorlaatste boek dat ik heb gelezen, en dat ik ongelofelijk goed vond, is nu al bijna uit mijn geheugen gewist. Je kunt je voorstellen wat de implicaties zijn voor de boeken die ik daarvóór heb gelezen, laat staan jaren geleden.

Een paar weken geleden las ik de laatste bundel met essays van Marja Pruis. En ook al ben ik de meeste essays alweer lang en breed vergeten, ik weet nog hoe goed ik ze vond. Eén van de dingen die indruk op me maakten was haar talent om te refereren aan andere boeken, of aan films, of aan schilderijen. Waar ik in mijn geheugen een mistbank heb hangen heeft zij een rij fiere boekenkasten staan. Passages, scènes, beelden; ze hoeft ze alleen maar af te stoffen en ze kan ze gebruiken. Het maakt haar essays nog rijker, nog scherper. Het maakt me jaloers.

Ik ben ook heel slecht in Trivial Persuit. Mijn algemene kennis is beneden peil. 

Steeds als ik met mijn vergeetachtigheid word geconfronteerd overkomt me een gevoel van wanhoop en neerslachtigheid. Want het zijn niet alleen boeken. Het zijn ook de momenten in mijn leven. Mijn vrienden, met wie ik een punkbandje speelde, weten vaak nog precies wat er gebeurde in welk zaaltje, en wie daar alemaal bij waren; hun catalogus van gedeelde ervaringen is vele malen groter dan de mijne. Ik zit er dan een beetje beduusd bij. O ja? Dáár ja? Was dat tóén? Alsof ik er helemaal niet bij was.

Deze aandoening blijft me natuurlijk ook niet bespaard waar het mijn zoons betreft. Of de tien jaar van mijn huwelijk. Om dan naar ijle lucht te moeten grijpen maakt woedend, machteloos en verdrietig. Omdat ik niks kan meenemen en altijd met lege handen sta.

Misschien schreef ik mede daarom Wij zeggen hier niet halfbroer. Om terug te claimen wat van mij is. Of om uit de brand te redden wat er te redden valt.


Je abonneren op deze stukjes? Klik dan alsjeblieft hier.