Ik denk weer vaak aan, en praat weer veel over, en luister weer veel naar Guns n’ Roses. Voor Volkskrant Magazine schreef ik een verhaal over mijn tatoeages, en dat begon met mijn adoratie van Axl Rose. En een tijdje terug las ik een fantastisch essay over hem, geschreven door John Jeremiah Sullivan. Het boek waar dat essay instaat, Pulphead, is verplichte kost voor iedereen die een beetje van new journalism houdt. Anyway, zoals je weet rees de ster van de jonge, punky, glammy, bitchy rockgoden van GnR eind jaren tachtig tot ongekende hoogten. Daarna werd Axl een gestoorde megalomaan (‘The perils of rock-n-roll decadence’). Maar goed, kijk maar eens naar deze volledige show uit ’88 in The Ritz, LA. Dit was het absolute hoogtepunt. Dat zeldzame momentum waarin imago, roem, potentie, talent, uiterlijk, publiek en de tijdsgeest samenvloeien om als één golf over de aarde spoelen. Ja, zelfs tijdens het lezen van Why does the world exist? van Jim Holt denk ik vaak aan Axl. Want waarom bestaat de wereld? Omdat er anders geen Axl Rose had kunnen bestaan, natuurlijk.