Ik heb motjes. Ze zijn klein en bruin. Ik zou zeggen goudbruin. Ik heb ze sinds een paar weken. Mijn vermoeden is dat ze uit de kelderkast komen. Er ligt daar een oud tapijt dat in de gang lag toen ik hier kwam wonen, maar dat ik niet mooi vond. Ik rolde het op en legde het in de kast. Als ik daar nu ga kijken zie ik beduidend meer motjes dan in de rest van het huis.

Overal zijn ze. Niet overal veel, maar ze zijn er. Ze fladderen voorbij. Ze zijn dom, want ik pak ze met één hand uit de lucht. Als ik zit te werken fladderen ze langs mijn hoofd. Als ik mijn tanden poets fladderen ze tegen het douchegordijn. Als ik een boek lees, als ik een serie kijk, fladder, fladder. Kleine dombo’s. Ik heb niet het idee dat ze zelf weten waar ze naar op zoek zijn, of wat ze met zichzelf aan moeten.

In die zin lijken we misschien op elkaar, de motjes en ik. Misschien dat ik ze daarom nog niet grondig heb aangepakt. Als ik er één zie, dichtbij genoeg, dan pak ik hem, maar anders laat ik hem fladderen, en aan dat kleed in de kelderkast doe ik niks.

Ze voegen wat toe. Nee, ze bekrachtigen iets. Nee, ze bestendigen iets. Nee, ze bevestigen iets. Dit huisje heeft stoffig tapijt, en heeft veel hout, en is een beetje muf. De motjes passen daar goed bij. De motjes zeggen: Wij illustreren jouw leven. Ze zijn ornamenten van eenzaamheid, sieraden van weemoed. Niet dat ik aldoor eenzaam en weemoedig ben, helemaal niet, but you get the idea. Als ik niet werk, als ik niet met vrienden ben, niet sport, niet in een vreemd huis ben, niet mijn kinderen heb, dan zijn die motjes er. Dan lig ik bijvoorbeeld in bad en fladdert er eentje onder de lamp, en dan denk ik: Ja, precies.


Morgen geen stukje, want bevrijdingsdag. Dan zijn jullie allemaal buiten en is níémand op het internet. Echt níémand. Mijn stukjes verstuur ik ook per mail. Mijn roman etc. etc.