Het was de dinsdag van carnaval. Zondag had ik het gevierd, maandag had ik thuisgezeten met een hevige kater, dinsdag kreeg ik mijn zoontjes. De kater was nog niet helemaal weg. Ik was suf en zag troebel. Ter bevordering van mijn helderheid van geest en levensvreugde roerde ik ’s ochtends door de kwark met noten en fruit ook een beetje gesneden truffel. Dat wil zeggen magic truffel. Dat wil zeggen een schimmel met de psychoactieve stof psilocybine. Ik ben een beetje aan het experimenteren met microdosing. Daarbij neem je dusdanig weinig psilocybine dat je geen vervorming van de werkelijkheid krijgt, maar dat het wel effect heeft op je creativiteit en gemoedstoestand. Het schijnt dat die slimme tech-mensen in Silicon Valley het ook doen, zodat ze al die apps kunnen verzinnen. (En sporters! Ook je lichamelijke prestaties gaan erop vooruit. Ik merkte het bij het thaiboksen. Ik zag stoten en trappen eerder aankomen en reageerde sneller. Een beetje zoals in The Matrix. Een héél klein beetje dan hè.)

Het is alleen lastig om te weten wat de juiste dosering is. Ik heb de neiging om er toch iets van te willen merken. Dus dan neem ik iets meer. Terwijl dat dus juist niet de bedoeling is.

Bij de kwark las ik de krant. Daarin stond een interview met een man die uitlegde waarom de mens niet in staat is om werkelijk iets te doen aan de klimaatopwarming. De naderende ramp is te vaag, we merken er nog te weinig van. Dus rijden we in auto’s, zitten we in warme baden, nemen we het vliegtuig naar Bali. We kunnen onszelf niet redden.

Ik ging met mijn zoons naar Ikea. Voor een archiefkastje, of in ieder geval iets met mappen; ik moet m’n belasting- en hypotheekbrieven ordenen. Mijn jongste ging naar de ballenbak, mijn oudste ging met mij de winkel in. We probeerden banken uit en deden alsof we erop in slaap vielen. Hij wees naar een kinderkamer die hij graag wilde. ‘Kijk dan! Een eigen tv, een la met games, een computer!’ Ik sloeg zijn pet van zijn hoofd.

De microdosering truffel was minder micro dan ik hoopte. Geluiden waren te scherp en te helder. Mensen waren te scherp afgetekend. Gek genoeg leek alles échter.

Toen we mijn jongste hadden opgehaald liepen we naar het restaurant voor een broodje. Mijn zoons renden voor me uit. Het was druk: mensen met dienbladen eten, met tassen. Hun geroezemoes als het stemgeluid van één verstrooid wezen.

Op weg naar de uitgang, met mijn mappen en twee afwasborstels, zag ik mijn zoons naar buiten rennen en wist ineens zeker dat dit een herinnering was. Dit was niet nu. Dit alles had zich vroeger afgespeeld. Ik wist dat ik, als ik zou willen, zou kunnen ontwaken. Maar ik durfde niet. Ik durfde mijn ogen niet te openen, bang voor wat ik zou zien. Bang om te verliezen wat ik had in deze droom. 

Buiten reed een busje voorbij. Mijn jongens stonden aan de andere kant van de weg. Even zag ik ze niet. Op dat moment vreesde ik dat er iets zou scheuren. De werkelijkheid zelf. Een duistere, reusachtige scheur waaruit miljarden demonische vleermuizen kwamen vliegen; een zwarte wolk die de lucht verduisterde. Toen het busje voorbij was gereden zag ik mijn zoons. Ze wachtten op me. Ik stak over. Ze waren nog intact. De dag was nog intact. Alles was nog intact. Ik keek naar de lucht. Ik begreep het niet. Het had al mis moeten gaan. 


Over elf dagen verschijnt mijn boek Wij zeggen hier niet halfbroer. Die is reeds te bestellen bij de boekhandel. Je abonneren op deze stukjes kan HIER