Om half elf ’s avonds stapte ik in de trein van Breda naar Eindhoven. Zo ongeveer tien minuten na vertrek kwamen we tot stilstand tussen de natte weilanden. Het zal mijn suggestieve brein zijn geweest, maar de stilte leek definitief of tijdelijk definitief. (Tijdelijk definitief bestaat niet, dat weet ik ook wel.) In mijn coupé zaten ongeveer tien jongeren, sommige van hen redelijk aangeschoten. Na een tijdje klonk er gemompel over de intercom. Een boodschap van de ene conducteur tegen de andere, bijna helemaal onverstaanbaar, behalve het woordje ‘overleden’. 

Opgewonden geroezemoes in de coupé. Zei hij nou overleden? Niet lang daarna klonk dezelfde stem opnieuw en hoorden we wat hij zei: zijn portofoon was overleden. Of zijn collega even naar de stuurcabine toe kon komen.

Interessante woordkeuze.  

‘Dames en heren,’ er is iets mis de locomotief. Wij weten het ook niet.’

Ik las verder in m’n boek en wachtte af. Toen gingen de lichten uit. En zo te voelen ook de verwarming. Opnieuw geroezemoes in de coupé. Verontwaardiging, maar ook gegiechel. Anekdotes over de ándere keren dat we problemen met de NS hadden gehad. Mensen die zich tijdens het rijden alleen nog met zichzelf hadden bemoeid, raakten nu met anderen in gesprek. Het donker duwde ons naar elkaar toe. We kwamen nader tot elkaar te staan, maar konden elkaars gezichten niet zien. Dat was heel vreemd. Warme geesten in de koude duisternis. Ik had eerder twee zwarte jongens zien zitten met petjes en tattoos. Type gangsta. Ik vroeg me af welke stemmen bij hen hoorden. Ofwel ze zeiden niets, ofwel ze waren even sympathiek en opgewonden als de anderen. Alles was anders. 

Na twee uur stopte er een trein naast ons. We stapten over. Allemaal door dezelfde deur. In de nieuw trein was het licht. Wij waren weer onze oude zelf. Maar toch ook weer niet helemaal.