Ik wist al wel dat columns over actualiteit of maatschappelijke misstanden het beter doen dan columns met mijmeringen over het bestaan, maar dat mijn stukje over Intratuin zó goed gelezen zou worden had ik niet verwacht.

Ik kan zien hoeveel hits mijn website krijgt. WordPress heeft daar mooie staafdiagrammen voor. De staven van de afgelopen drie dagen – de dagen sinds ik het Intratuin-stukje plaatste – zijn zo hoog dat de staven van alle dagen daarvoor amper nog zijn waar te nemen. Zestigduizend keer werd mijn website bezocht. Facebook moet je daar nog bij optellen; geen idee wat daar het bereik is geweest. 

Het kan dus. Je kunt als individu een groot bedrijf soms een klap geven. Misschien geen klap die het bedrijf doet wankelen, maar wel eentje die pijn doet. Ik zie een vergaderkamer voor me met allemaal hoge piefen van Intratuin. Een briesende directeur met een voorhoofd glimmend van het zweet. De marketingafdeling met trillende A4’tjes in bibberende handen. Wat te doen aan die schrijver met zijn kutstukje? Weer een persbericht met goede intenties? Een rechtszaak? Uiteindelijk hebben ze gezwegen. Waait wel weer over.

Ondertussen ben ik al twee keer naar een onafhankelijk, lokaal tuincentrum gegaan voor een paar nieuwe planten. Ongeveer de helft is daar onbespoten. Dus niet alles. Ze werken eraan om dat voor elkaar te krijgen. Maar goed, eerlijk is eerlijk: dat zegt Intratuin ook te doen.

Na het succes van mijn Intratuin-stukje is het een beetje raar om weer over m’n hagedis te schrijven, of over Duveltjes inslaan bij de avondwinkel. Een succes-hongerig deel van mij wil méér van die hoge staven. Het is verleidelijk om op zoek te gaan naar het volgende actuele, maatschappelijk relevante onderwerp. Toch ga ik dat niet doen. Columnisten die steeds opnieuw geforceerd een mening opdissen zijn er al meer dan goed voor ons is.

Dus toch maar weer terug naar het alledaagse. Laat ik nog maar even bij die planten blijven. Via die planten weer terug naar de gewone stukjes.

Ik kocht een schijnaugurk en een wolfsmelk. De schijnaugurk zou je ook de fop-augurk kunnen noemen. Hij produceert vruchten die lijken op een augurk, maar die je niet kunt eten. Een klimplant met een gevoel voor humor dus. De wolfsmelk kocht ik omdat ik daar vroeger, als kind op vakantie in Spanje, vaak een blaadje van lostrok. Er sijpelde dan witte vloeistof uit. Dat spul is giftig. Dat sprak tot mijn verbeelding. Ik zou er iemand mee kunnen vergiftigen, als een spion. Op Wikipedia las ik gisteren dat de plant helemaal zo giftig niet is. Het irriteert ogen, mond en neus. Als je er veel van binnenkrijgt kan het zijn dat je gaat braken.

De wolfsmelk kocht ik ook voor mijn zoons. Ik zal hun het witte spul laten zien en zeggen: ‘Dit is gif.’ Dan zal ik weglopen en hen alleen laten met het wonder. Met de macht. De verbeelding.


Deze stukjes gratis en automatisch per mail? Klik hier. Mijn nieuwe boek heet Wij zeggen hier niet halfbroer.