Maandag schreef ik al dat ik zondag jarig was en ik dat de avond ervoor had gevierd met vrienden bij een concertje. Maar wat ik nog niet had geschreven is dat ik de volgende dag met mijn moeder naar Rotterdam ben gegaan, met de trein, naar mijn vader. Een oude vriend van hen zong die middag klassieke liederen en we gingen daar met z’n drieën naartoe. Ik had drie uur geslapen, had een kater en keek steeds op mijn telefoon om te kijken of ik op Facebook dat leuke meisje van de avond ervoor kon vinden.

Mama en ik in de trein. Allebei aan het lezen. Ik heb het van haar, boeken lezen, en ook het schrijven, maar die twee dingen heb ik ook van mijn vader. Ze leerden elkaar kennen op de toneelacademie. Zij was al getrouwd en had al drie kinderen. Hij speelde heel mooi piano. Het ging zoals dat gaat. Toen was ik er. Mijn vader schreef toneelstukken en mijn moeder regisseerde ze. Amateurtoneel. Dat was hun grote liefde. Dat, en ik. Mijn moeder en ik reisden ieder weekend naar Rotterdam, want doordeweeks leefden we bij mijn stiefvader, de vader van mijn broers. Op mijn vijftiende verhuisde mama naar Curaçao en gingen ook mijn vader en zij uit elkaar. Mijn pa was jurist geworden. Geen toneel meer.

Rotterdam CS. Ze zoenden elkaar. We liepen het metrostation in. We aten een broodje. Ik dronk ginger ale, goed voor een kater. Ik was erbij maar ik was ook elders. Die kater maakte me troebel, maar ook te gevoelig. Het was vanzelfsprekend, zoals we daar zaten, maar het was ook vreemd. Ik was zesendertig en ik was zes. Ik wilde blijven en wegrennen. Ik wist niet goed wat ik voelde. Och, kon ik toch maar dat meisje vinden op Facebook!

Naast elkaar op stoeltjes in de kluisruimte onder boekenwinkel Donner. Mooie liederen van een man die het brandpunt van onze gedeelde geschiedenis leek te zijn. Het raakte me, ontroerde me, maar na een tijdje kon ik amper mijn ogen openhouden.

Regen en wind, werkzaamheden aan het spoor. Mijn vader bracht ons met de auto terug naar Eindhoven. Ik zat achterin. Een kind. Op vakantie. Een puber met een telefoon. Maar ik luisterde. Ik hoorde hoe ze langzaam in het vaarwater van hun oude zeeën terecht kwamen. Hij is weer een stuk aan het schrijven, mijn vader. Voor het eerst sinds meer dan twintig jaar geleden. Mijn moeder kon haar geluk haast niet geloven; ik hoorde het aan de afgemeten kalmte waarmee ze op het nieuws reageerde. Hij vertelde haar erover en zij luisterde en gaf commentaar. Precies zoals ik ze dat in mijn kindertijd ook hoorde doen, eindeloos, terwijl ik met speelgoed zat te spelen op de vloer van ons kleine flatje in Delfshaven.

Ik en mijn telefoon en mijn kater achterin die auto. Dat leuke meisje nog niet gevonden. Ik wist haar naam ook niet. Ik zag mezelf zo zitten, als in een boek, en dacht toen: Nee, dit is jouw verhaal niet. Dit was ook mijn moeders verhaal. En mijn vaders verhaal. Dit was ook hún perspectief, een hoofdstuk in hún geschiedenis. Ik weet niet waarom, maar dat gaf ineens heel veel rust. Dat mijn boek niet het enige boek was. Dat ik me kon losrukken van het hoofdpersonage dat ik aldoor ben, dat vaak voelt als een dwangbuis.

Wat wonderlijk allemaal hè?

Ja, ik weet het: dit stukje is langer dan gebruikelijk en langer dan de limiet die ik mezelf heb opgelegd. Maar jammer dan. Jullie doen het er maar mee. Fijn weekend. Tot maandag. Koop mijn boek. Hou je taai.