Ik was gisteren jarig. Zaterdagavond ging ik met een paar vrienden eten en aansluitend naar een rockbandje kijken. Om twaalf uur zou ik dan jarig zijn; je snapt het principe. Ik was met jongens die ik al meer dan twintig jaar ken. Met wie ik zelf tien jaar lang in een bandje zat. We hebben nu kinderen, vrouwen, banen, hypotheken, exen.

Zesendertig is een vreemde leeftijd. Je kunt nog meedoen met de twintigers. Je krijgt nog geen blikken: Wat doen die oude lullen hier? Je kunt gewoon naar een hip rockbandje kijken en doen alsof je niet stiekem toch ook al een beetje cynisch bent (‘Dit is gewoon The Ramones!’ schreeuwde ik tegen een vriend, en bij een volgend nummer: ‘Dit is gewoon The Strokes!’). En ja, ik kon ook nog gewoon een beetje flirten met een mooi meisje daar. Toch voelde ik het: de bulldozer die me langzaam uit de wereld van de jeugd duwde. Nog ietsjes verder en ik zou de diepte in tuimelen.   

Mijn vrienden. Zo mooi, hoe onze wielen meteen in de rails van vroeger klikten. Tien jaar samen optrekken, toeren in een busje, wakker worden op de vloer van vreemden. Ik zie ons ouder worden, ik zie de eerste grijze haren en rimpels, maar het blijft moeilijk om ons niet als jongens te zien. Dezelfde harde humor, hetzelfde haarfijne begrip. In die zin was er nog niks aan de hand. We hoorden daar. Het was niet moeilijk om erin te geloven.

Om half twee, in een kroeg iets verderop, kwam onze maskerade ten einde. Vermoeide mannen aan een biertje dat tergend langzaam werd gedronken. Er werd gegaapt. De wallen verschenen. Ik liep naar huis met een vriend die bleef slapen, onze levens zwaar in onze benen. En die twintigers natuurlijk ergens aan het dansen. Helemaal uit hun bol natuurlijk.

Felicitaties zijn niet nodig. Zeggen dat zesendertig nog hartstikke jong is, ook niet. Wat je wél kunt doen is mijn roman kopen: Bidden en vallen. Of dit stukje delen, bijvoorbeeld met de knopjes hieronder.