Vanochtend, toen ik mijn zoons naar school had gebracht en bij de supermarkt de Linda inkeek, werd ik voor het eerst werkelijk geconfronteerd met het feit dat Wij zeggen hier niet halfbroer geen fictie is.

Toen ik het boek liet lezen aan mijn broers, aan mijn moeder, aan mijn vader, ja, dat waren heftige momenten, maar dat waren confrontaties binnen de familie, met mensen die de nuances in het boek zouden begrijpen, voor wie die nuances ook essentieel zouden zijn, zoals ze dat voor mij, bij het schrijven, ook waren.

Toen ik een paar dagen geleden in de radiostudio zat met mijn oudste broer: zeker. Toen mijn moeder en ik samen werden gefotografeerd voor Libelle (staat er deze week in?): zeker. Dat waren allemaal indicaties dat het verhaal dat ik heb geschreven écht is. De personages roerden zich in het echte leven; het boek had invloed op hun doorlopende, werkelijke geschiedenis. Toch was het pas vanochtend dat ik me realiseerde welke implicaties dit kan hebben.

Op de boekenpagina van de Linda zag ik een klein kader met daarin het omslag van mijn boek. ‘Jongen toch,’ was de kop. Meteen voelde ik weerzin. Jongen toch, dat is: een aai over de bol, dat is: och arm, dat is: wat zielig voor je. Het stukje is verder hartstikke positief: ‘Henk vertelt ontroerend en oergeestig over zijn jeugd.’ Leuk. Niks mis mee. Maar dan: ‘Zijn jeugd met drie halfbroers, een sombere moeder en een boze stiefvader.’ Einde.

Ik kan het hen niet kwalijk nemen. Niet echt. Ja, het is onhandig geformuleerd, zonder enige nuance. Ze zullen hebben gedacht: het dekt de lading. En had ik een roman geschreven, dan had ik daar mijn schouders bij opgehaald, omdat het fictieve personages had betroffen. Een fictief personage heeft geen nalatenschap. Mijn stiefvader was echt, ik woonde bij hem tot mijn twintigste, mijn verhaal gaat voor een groot deel over hem. Hij heeft een nalatenschap. ‘Boze stiefvader.’ Die reductie van zijn persoon, van het verhaal, en dan ook nog in combinatie met ‘Jongen toch’, maakt me boos en verdrietig.

Laat me benadrukken dat dit geen kritiek op de Linda is. Zij hebben een boekenpagina te vullen. Mijn boek namen ze er snel nog in mee, wat ik natuurlijk alleen maar kan toejuichen; ook een piepklein stukje van achttien woorden is mooi meegenomen. En voor hen is mijn boek gewoon een boek. Wat het natuurlijk ook is. Ik kan moeilijk verwachten – en dat wíl ik ook helemaal niet – dat iedereen die het boek in handen krijgt het behandelt alsof het mijn leven is en de personages echte mensen zijn. (Ook al zijn ze dat dus wél.)

Misschien moet ik inzien dat dit boek, nu het er is, mijn verhaal niet meer kan zijn.


Sinds dinsdag verkrijgbaar: Wij zeggen hier niet halfbroer. Je gratis abonneren op mijn stukjes doe je HIER