Ik liep een bellende man tegemoet. Een Turkse man van ongeveer mijn leeftijd, in pak. Hij liep driftig te bellen, met ferme tred. Hij was aan het woord, luid, fel. Zijn blik verried woede en frustratie. Ook mijn tempo was hoog, dus we waren elkaar razendsnel voorbij. Er was maar één woord dat ik kon verstaan. Hij sprak het uit precies toen we elkaar passeerde.

‘Kankerbus!’

Het was schitterend. De eerste K was als een hakbijl. De tweede als een brok graniet. De R bestond uit een korte rits R’en was als een pak knapperige biscuitjes. De B was als een boks op je smoel. Wat heerlijk om een woord zo te kunnen uitspreken. Iedere lettergreep getooid met een klemtoon. Met dat Turkse accent. Zou hij daarom ook voor Nederlands hebben gekozen? Omdat het zo lekker klonk? Of was de persoon aan de andere kant van de lijn misschien Nederlands? Ik vermoedde van niet. Geen idee waarom. Een vooroordeel waarschijnlijk.

Ik probeerde het zelf: ‘Kankerbus.’ Nee, dat klonk voor geen meter. Het woordje ‘kanker’ deed bij mij gewoon aan de ziekte denken. ‘Hallo, ik kom collecteren voor het kankerfonds. U kunt uw kleingeld in deze kankerbus werpen.’

De man was allang uit mijn leven verdwenen toen zijn fonetische juweeltje nog in mijn hoofd spookte. En daarmee ook zijn verschijning. Ik sloeg aan het mijmeren. Had hij de bus gemist? Had de bus vertraging gehad? Was hij echt boos op de bus of toch meer op de chauffeur? Of gewoon de pech die hij had gehad? Was hij een echte Erdogan-supporter? Een vlaggenzwaaier? Een toeteraar? Iemand die zich in eerste, tweede en derde plaats als Turk beschouwt en pas daarna als Nederlander? Moest ik me zorgen om hem maken? Was hij een gevaar voor de democratie? Voor de eensgezindheid van dit land?

Allemaal dingen die ik niet kon weten. Aannames, giswerk, generaliseringen. Ik moest mijn gedachten niet laten afdwalen; er was daar niets te halen. Ik moest me beperken tot de feiten, tot de ervaring, tot het werkelijke en wezenlijke.

‘Kankerbus!’ Hoe heerlijk de eerste K; je kunt een boomstam doormidden hakken met zo’n K. En dan die tweede, als een rotsblok dat na een val van twintig meter te pletter slaat. Die vermenigvuldigde R, afgevuurd als met een spijkerpistool. De B, als een windstoot die in huis alle deuren doet dichtslaan.

Ik blijf het proberen: ‘Kankerbus.’ Ik krijg het niet voor elkaar. Ik kan alleen maar respectvol en bewonderend met mijn hoofd schudden.


In Het Parool van zaterdag kreeg Wij zeggen hier niet halfbroer vier sterren. ‘Een Hollandse versie van de Noor Karl Ove Knausgård, maar dan zonder de ellenlange opsommingen en niet er zaken doende beschrijvingen.’ Je abonneren op deze stukjes doe je HIER