Wat er aan de hand is. Ik verwacht steeds dat er iemand aanbelt en me meteen op mijn smoel slaat. Ik verwacht het ook in de stad, of op straat. Dat iemand me aantikt, en als ik me dan naar diegene omdraai krijg ik een klap. Als ik me een beeld van diegene probeer te maken zie ik geen gezicht dat ik zou moeten kennen. Wel zie ik de woede en de verontwaardiging.

Mijn zoons spelen soms dat ene spelletje met me, waarbij je niet met je ogen mag knipperen wanneer de ander vlak voor je gezicht in z’n handen klapt. Als je wel knippert ben je bang voor je moeder, of je hebt een slecht geweten. Ik knipper altijd. Ik ben niet bang voor mijn moeder.

Ik droom soms van een huisje in het bos. Niemand die weet waar ik ben. Ik kan ontspannen. Maar ook dan stapt er ineens iemand achter een boom vandaan. Woedend. Mij eindelijk gevonden. Dacht ik dat ik alles zomaar achter me kon laten? Dat ik ermee weg zou komen?

Aan het ontbijt spelen we soms ook een ander spelletje, mijn zoons en ik. Elkaar zo lang mogelijk aanstaren zonder te lachen. Degene die in de lach schiet heeft verloren. Maar die is niet bang voor zijn moeder en die heeft ook geen slecht geweten. Die zit alleen maar lekker hard te lachen. En de ander lacht nu ook, en zo zitten we dan met z’n drieën te lachen, en er is niemand die aanbelt. Dat is dan gelukkig ook ineens heel moeilijk voorstellen, wanneer ik zit te lachen, maar ook al daarvoor, tijdens het spel, als ik mijn zoons aanstaar en zuiver ben in hun ogen. Dan is er niks te vrezen. 

Dit was het laatste stukje van deze week. Dus tot maandag. Als je de stukjes liever in je mailbox wilt dan klik je hier. Ik schreef ook een roman, Bidden en vallen, waarvan inmiddels een bescheiden herdruk aanstaande is.