Goed, dus we liepen zo rond het middaguur het terrein af van de biologische boerderij de Genneper Hoeve. Mijn vrouw, onze twee zoontjes en ik. Door mijn gedachten ging vooral het artikel waar ik die middag aan moest beginnen. Een reportage waarin ik zou moeten schrijven over mensen – auteurs – die ik persoonlijk ken. Hoe ver ga ik? Wat laat ik weg? We kwamen twee honden tegen, hun riemen vastgebonden aan een paal en hun baasjes op de boerderij. De honden stonden te piepen en janken. Eén van de twee jankte echt als een wolf. Voor mijn zoontjes vertaalde ik hun gejank naar mensentaal: ‘Nee, laat ons niet allééééén!’ 

‘Dat vind ik zielig!’ zei mijn oudste zoontje.

‘Welnee,’ zei ik. ‘Die baasjes zijn zo terug. Ze stellen zich aan.’

‘Nee!’ riep mijn zoontje, ineens heel hard, ineens heel boos. ‘Ze stellen zich helemaal niet aan! Ze zijn verdrietig en dat is heus niet leuk hoor!’ Ik wilde bijna lachen, maar zag toen hoe oprecht boos hij was. Mijn vermaak sloeg om naar bewondering. Wat een prachtig en puur gevoel voor rechtvaardigheid!

Later die middag zat ik aan mijn artikel te werken. Er waren meerdere momenten waarop de keuze moest maken: schrijf ik dit wel op of schrijf ik dit niet op? Ik had mooie anekdotes, smeuïge details, sappige roddels. Maar ik wist dat de personen in kwestie sommige van die dingen liever niet in een weekblad gepubliceerd zouden willen zien. En ik weet het niet zeker, maar ik heb het vermoeden dat die grootse verontwaardiging van mijn zoontje mij heeft beteugeld tijdens het schrijven van die reportage. Hij had me iets duidelijk gemaakt. Ik had iets van hem geleerd. Grote wijsheid van een kleine man.