Mijn jongste zoon van zes is een kleine Donald Trump. Ik heb mijn eigen kleine Donald Trump. Als hij om drie uur het schoolgebouw uitloopt heeft hij altijd een klasgenootje vast. Dat klasgenootje pakt hij bij de mouw en trekt hij achter zich aan, naar mij toe. ‘Deze,’ zegt hij dan. Of: ‘Ik neem deze.’ Zo’n kindje knikt instemmend maar timide als ik vraag of hij of zij inderdaad met mijn zoon wil afspreken.

Hij heeft ook een beetje het postuur van Trump: een beetje vlezig. En soms ook het haar: blond en weerbarstig, en als hij in een bepaalde houding heeft geslapen dan gaat het boven zijn voorhoofd van rechtsvoor naar linksachter. Wanneer hij uit bed komt en er zo uitziet dan verheug ik me en laat ik het zo.

Hij zal altijd de grootste helft nemen van een in tweeën gedeeld koekje. Hij is ervan overtuigd dat het vriendje, zou het de kans krijgen, exact hetzelfde zou doen. Ieder kind is een concurrent. Survival of the fittest, etc.

Als op televisie iemand hard valt dan lacht hij erom. Als er een spelshow op is dan kiest hij direct partij, maar als dan gaandeweg duidelijk wordt dat zijn team gaat verliezen kiest hij snel voor een ander. No time for losers.

Hij framet zijn oudere broer. Voor grove leugens draait hij zijn hand niet om. Zijn broer heeft hem geslagen, heeft iets afgepakt, heeft gespuugd. Alles om zijn broer verbannen naar de trap te krijgen.

In de sinterklaasfolder van de speelgoedwinkel heeft hij zo’n beetje alles aangekruist wat niet roze is. Ik vrees het moment waarop hij zijn pakjes ziet en zich realiseert dat het slechts een fractie betreft. Gelukkig weet hij nog niet dat in feite zijn ouders daarvoor verantwoordelijk zijn, want anders zie ik hem goed een verhaal over kindermishandeling verzinnen en daarmee naar de instanties stappen. Crooked parents!

Mijn eigen kleine Donald Trump. Lekker knuffelen.


Roman: Bidden en vallen. Abonneren op deze stukjes: hier