In de trein zit een vrouw met een jackrussellterriër in een draagmand. Het hondje is wit en tenger en hij bibbert een beetje. De jongste niet meer. Hij slaapt veel. Als er iemand voorbij loopt, of als er een prullenbakje wordt dichtgegooid, schrikt hij op en kijkt hij even rond, om dan zijn kop weer te laten zakken en zijn ogen te sluiten. Een enkele keer kijkt hij even omhoog, naar zijn baasje, die hem dan met getuite lippen geruststellend toespreekt.

Dit is een wolf. Een wild dier dat een paar duizend jaar geleden in de gaten kreeg dat het voordeliger was om zich aan te sluiten bij een groep mensen. Meer eten, meer warmte, meer comfort. De mens ging met hem fokken. En fokken. En fokken. En nu ligt hij hier, klein en wit en warm in de rieten mand van een vrouw met een fleecetrui en een regenjas.

Schaam je, wolf!

Of:

Goed gedaan, wolf!

Alleen een mens kan dat oordeel vellen. Wil dat oordeel vellen. Voor de jackrussellterriër is er geen gêne, geen besef van verleden, geen dilemma, geen spijt, geen schuld. Ook al ziet hij er niet meer zo uit, hij is nog steeds de wolf, en een wolf gaat waar het eten is.

Wanneer hij weer eens zijn kopje opricht kijkt hij me aan. Er reist iets van zijn ogen naar mijn ogen en tegelijkertijd van mijn ogen naar zijn ogen. Dan sluit zijn universum zich voor me en versmelt hij wederom met het warme, oeverloze water van zijn eigen wezen.


Zo, vandaag even compenseren met een lekker kort en niet controversieel stukje. Deze stukjes per mail ontvangen? Klik hier. Mijn roman lezen? Koop dan Bidden en vallen.