‘Papa, een jongen schopte me net keihard zonder reden.’

Ik loop met m’n oudste zoon mee, over het gras, voorbij het zwembad met kniehoog water, voorbij een paar speeltoestellen, voorbij ouders en kinderen. ‘Daar, hij, met dat FC Barcelona shirt.’

Ik zie de jongen zitten op een grote draaiende schijf. Naast andere kinderen. Een dikkige jongen, bruin als pure chocola. Hij ziet me naderen. ‘Jouw zoon gooide met zand.’ Waarop mijn zoon roept: ‘Helemaal niet!’ Ik vraag de jongen of hij mijn zoon daadwerkelijk zand heeft zien gooien. ‘Nee, maar anderen zagen het, en wie zou het anders gedaan moeten hebben?’ Hij kijkt me niet aan als ik tegen hem praat, dus ik knip met mijn vingers, vlak naast zijn oren. ‘Als je geen bewijs hebt moet je niet schoppen,’ zeg ik, mijn hartslag hoog. ‘Anders kan ook ik zomaar gaan schoppen, snap je?’

Ik loop bij de jongen vandaan, meteen al schuldbewust en vol van spijt. Want wat ik deed wás ook schoppen zonder bewijs. Ik schopte met mijn mond, en ik kon niet zeker weten of mijn zoon niet met zand had gegooid.

Ik zit met een boek, in de schaduw, vlakbij het ondiepe zwembad. Mijn jongens zijn de hort op, ergens in dit speelpark. Even verderop zitten vier moeders met hoofddoek, volledig gekleed. Het kindje van één van hen, een klein meisje, drijft met haar gezicht naar beneden in het water. Haar moeder ziet het en vliegt erheen. Haar kleren wapperen en het is net of ze geen benen heeft, alsof ze echt vliegt, als in een sprookjesfilm. Ze is er op tijd bij; het kindje proest.

Twee vrouwen lopen me voorbij. Wit, maar zongebruind. Een paar tattoos, een gouden kettinkje. Hun billen gaan op en neer, hun zwembroekjes er dunnetjes tussenin. De één praat en de ander luistert. Degene die praat is aan het klagen, dat kan ik aan haar gezicht zien. Hun billen lijken los van hen te bewegen, alsof ook zij met elkaar praten, en een heel eigen gesprek voeren.

‘Ik heb vriendjes gemaakt!’ Mijn jongste staat ineens voor me en wordt aan beide zijden geflankeerd door een bruin jongetje, ik denk van Indiase origine. De ene heet Panjan, de naam van de andere versta ik niet goed. De twee jongetjes knikken naar me, alsof ze willen bevestigen wat mijn zoon heeft gezegd, dat ze inderdaad vrienden zijn, dat mijn zoon hier geen onzin staat te verkopen.

In het zwembad staat een heel dik, wit kind. Zijn buik hangt over zijn zwembroek. Hij speelt met andere kinderen. Ze gooien met een bal en spetteren. Een reusachtige zon omringd door kleine planeten. Zich nog niet bewust van zijn voorkomen. In zijn blik nog geen schaamte, hooguit een beetje onbeholpenheid.

Een groepje Marokkaanse puberjongens slentert voorbij. Petjes tot laag over het voorhoofd getrokken, nektabba-tasjes om het bovenlijf. Verveelde blik in hun ogen, al lijkt die blik ook een beetje voor de bühne te zijn. Ze lopen een paar witte meisjes voorbij. Hun houding verandert. Ze willen zich nóg laconieker voortbewegen, maar ze weten niet hoe. De meisjes kijken gezamenlijk op één smartphone en giechelen.

Een witte, oudere man, type professor, loopt naar het zwembad met een kindje aan de hand. Hij draagt een polo en een bril. Hij kijkt een beetje verward, alsof hij zojuist uit de bibliotheek van een universiteit is komen lopen en zich ineens hier bevindt, zonder te weten hoe dat kan, met een vreemd kind aan de hand.

De zon schijnt op alles. Alles is tegelijkertijd de kleur die het van zichzelf heeft én goud. Dus geen laagje goud óver alle dingen, maar alle dingen zowel goud als een andere kleur. Geen mix, geen tussenvorm. De bomen groen maar ook goud. Het water blauw maar ook goud. De kinderen bruin, beige, wit, maar ook goud. Ik kijk naar mijn armen, mijn handen. Ik hoor de bomen ruisen en het weefsel van al die kinderstemmen. Ik heb de behoefte om mijn ogen te sluiten maar ben daar te onrustig voor.

Als we vertrekken is mijn jongste boos. De moeder van Panjan en zijn broertje is juist naar huis gegaan om zakjes chips te halen, ook eentje voor hem.

Op weg naar de uitgang zie ik de jongen in het FC Barcelona shirt. Ik overweeg om sorry tegen hem te gaan zeggen. Maar dan zijn we de poort al door, en zie ik de auto al staan.


In ander nieuws: de mensen van de cultuurwebsite De Optimist (een platform dat ik ooit heb opgericht met Miriam van Ommeren) hebben een boek gemaakt: Handboek voor een optimistisch leven. Er staat werk in van meer dan zeventig schrijvers. Klik HIER voor meer info. Mijn stukjes per mail ontvangen? Klik HIER.