Zaterdagavond was ik in een molen in Utrecht. Ik was er met een aantal schrijvers, onder wie Elke Geurts. Er was ook een heel goed Gents bandje genaamd Zonen Met Vaders. Wij schrijvers zaten naast elkaar op stoeltjes. Het thema van de avond was De verdwenen man. Elke Geurts schrijft over haar scheiding voor Trouw. Ze had mij bij de organisator aanbevolen omdat ook ik er soms over schrijf. Zij is een verlatene, ik ben een verlater.

Ik moest al ruim van te voren opsturen wat ik van plan was te gaan voordragen. Ik stuurde passages van Wij zeggen hier niet halfbroer, maar de organisator, Bernhard, had toch liever dat ik materiaal leverde dat expliciet over mijn scheiding ging. Ik stuurde hem tien stukjes. Daar ging hij mee aan de slag.

Ik kende deze formule nog niet. Bernhard was als het ware de componist. Hij knipte stukjes tekst uit de teksten van de schrijvers en maakte daar een geheel van, als een lappendeken. We kregen een overzicht waarop precies te zien was wanneer wie welk fragment moest voordragen. Ook moesten we soms meedoen met de tekst van een ánder. Zo moest ik bijvoorbeeld de stem doen van een brandweerman in een stuk dat ik nooit had gelezen. Bijna acteren. En dat allemaal voor een maaltijd, twee consumptiebonnen en reiskosten. Maar soit. Ik heb de brandweerman een mooie stem gegeven.

Ik zat naast een vrouw met steil zilver haar. Joke. Ze zat er heel sereen bij, maar als ze voordroeg was ze ineens heel geanimeerd en trefzeker. Ze deed ook een soort gesproken jazzliedje, waarvan het refrein was: ‘Mannen van de tweede leg.’ Ze knipte er ritmisch bij in haar vingers. Het was heel grappig en bitter, en ik lachte. Ze nam mannen op de hak die hun vrouw hadden verlaten en het nu met een jongere vrouw deden. Ik wist niet zeker of deze tekst ook over mij ging. Ik vermoedde van wel, ook al doe ik het niet met maar één jongere vrouw en is er al helemaal geen sprake van een tweede leg. Ik vond het alsnog grappig. Wel vroeg ik me steeds af of haar zwijgen – ze zei niet veel tegen me – daar misschien ook mee te maken had. Tóch de neiging me te verdedigen.

Ik droeg ze voor, de losgeknipte stukjes tekst. Het voelde soms niet goed. Er was te weinig context. Ik wilde dingen toelichten. Het was mijn leven, en als iemand mijn leven verknipt en monteert dan ben ik dat liever zelf. Achter me voelde ik Joke zitten, die natuurlijk alleen maar dacht: Jij laffe, sentimentele, hypocriete zak.

Er waren twee momenten die me zullen bijblijven. Vlak voor Zonen Met Vaders begon aan een nieuw liedje zag ik de trompettist zijn lippen nat maken en opwarmen. Hij zoog zijn lippen naar binnen, tuitte ze, zoog ze naar binnen. Hij deed dat in de schaduw; alleen ik zag het. Hij deed het een klein beetje nerveus, zoals je misschien over je armen wrijft vlak voor je van een hoge rots de zee inspringt. Het tweede moment was toen een meisje uit het publiek naar voren kwam voor het open podium gedeelte. Ze droeg voor. Ik zag haar silhouet in het felle tegenlicht, waardoor iedere loshangende hoofdhaar scherp was afgetekend. Ze trilden hevig, die haren, maar de frequentie van het trillen was zo hoog dat je het alleen van heel dichtbij kon zien, en met dit licht. Haar stem was goed en beheerst. Ik tril heviger, dacht ik. Bij mij zie je, als je erop let, ook het papier in mijn handen bewegen. Dat had Joke natuurlijk ook al meteen in de gaten gehad.


Vorige maand verscheen Wij zeggen hier niet halfbroer. Je abonneren op deze stukjes? Klik hier.