Dinsdagavond ging ik naar de schouwburg. Ik ga zelden naar een toneelvoorstelling, dus toen een mooi en leuk meisje me meevroeg zei ik meteen ja. De lankmoedigen. Tweeënhalfuur zonder pauze. Dat was even slikken, maar soit. 

De zaal was voor iets minder dan de helft gevuld. We zaten op de derde rij. Voor ons, op de eerste rij, zat een oudere man alleen. Grijs, bril, sjaaltje. Op die rij zaten verder slechts twee andere mensen. Na de eerste tien minuten zat de man al te knikkebollen. Omdat hij vooraan zat werd hij beschenen door het theaterlicht. Dus niet lekker verscholen in de duisternis. Dus ook prima zichtbaar voor de acteurs. Dat maakte het knikkebollen nogal schaamteloos. Het trok mijn aandacht. Het werd een voortelling an sich. Een parallelvoorstelling.

Het was aandoenlijk. Zoals zijn hoofd naar voren viel en bleef hangen. Het was alsof hij eindelijk kon ontspannen, eindelijk rust had. Ik stelde me zijn leven voor. Zijn vrouw overleden, het huis leeg maar het spook van haar bestaan nog in iedere ruimte. Zijn eigen eenzaamheid als een spiegel aan iedere wand. ’s Nachts, in de slaapkamer, iedere tik van de klok de slag van een hakbijl: stuk leven eraf, stuk leven eraf, stuk leven eraf. Staren naar het plafond. Overdag de maatschappelijk werker, een vrouw met een iPad: ‘Hoe gaat het nu, Nico?’ De schrijnende stilte die aan haar woorden kleeft. De diepe onrust.

Hier kon hij slapen. De eindeloze dialogen, het warme theaterlicht, de levens op het podium. Het conflict, daar. De misère, daar. De tragiek, daar. En hij hier op zijn stoel. Moe, ineens zo moe.

Tegen het einde zag ik hem met een ruk zijn hoofd oprichten. Plotsklaps weer bij bewustzijn. Dat gebeurde echter midden in een lange filosofische monoloog, dus hij had geen enkele kans. En hop, daar ging hij weer.

Na de voorstelling ging ik naar het toilet. Eén van de wc’s zat onder de diarree. Half in de pot, half tegen de zijkant van de pot. Dat moest van hem zijn, concludeerde ik. Het had eruit gemoeten. Al de hele dag liep hij ermee rond. Prangende buikpijn, zoals de laatste tijd eigenlijk iedere dag. Vlak voor de voorstelling liet hij alles lopen. Hij keek achterom, zag de ravage en twijfelde. Lichte wanhoop. Zonder zijn handen te wassen liep hij snel weg. De zaal in. Zijn buik voelde beter, het was eruit. De stoel was comfortabel. De lampen werden gedimd.


Nog even een mededeling. Veel mensen namen de laatste zin van mijn vorige stukje serieus, maar ik was sarcastisch. Dus nee, ik doe niet mee aan Nederland verhuist. Je abonneren op deze stukjes kan HIER