Op tafel lag een pak papier. Wij zeggen hier niet halfbroer, de versie die naar de eerste adressen wordt verstuurd. Naar een paar maandbladen met een vroege deadline. Naar mijn moeder, vader en broers. Niet de definitieve versie. Een paar dagen liet ik het op tafel liggen zonder erin te kijken. Toen ik dat wel deed las ik op de titelpagina: We zeggen hier niet halfbroer. Wat dus niet de titel is. Uiteraard raakte ik meteen in paniek. Als de títel al niet correct was… 

De afgelopen dagen heb ik erin zitten werken. Er is geen pagina die ik niet beklad met correcties. Bij iedere correctie word ik A) rustiger, omdat het boek er met iedere correctie op vooruit gaat, en B) bezorgder, omdat de versie zónder die correcties inmiddels al op een paar belangrijke bureaus ligt.

Ik werk aan tafel, met zicht op het nieuwe terrarium. Oscar de jonge hagedis zit op zijn stuk hout te zonnen. Hij is aldoor wakker en alert. Soms sprint hij naar het bakje met andijvie, schrokt een blaadje op en rent dan terug naar zijn plekje. Hij houdt zijn kopje omhoog en loert naar me met zijn prehistorische oogjes. Hij moet vervellen; dat weet ik omdat hij steeds met zijn neus langs de schors schuurt. Eén keer per dag besproei ik hem met lauw water, zodat zijn huid wat makkelijker loskomt.

Als ik hem krekels en sprinkhanen voer draai ik daarbij bombastische klassieke muziek. Het lijkt dan een slagveld. De instrumenten bereiken een crescendo, de ledematen vliegen in het rond. Ik zeg tegen Oscar: ‘Dit eten heb je van mij gekregen. Ik ben God. Zie deze handen. Dit zijn de handen van God. Ik geef je water en warmte en licht en ik zorg ervoor dat je poep verdwijnt zodra je het neerlegt. Aanbid mij.’

De band tussen ons is nog koel. We kijken elkaar aan met een soort koppige strijdlust. Hij klampt zich vast aan zijn identiteit van de onbenaderbare dinosaurus. Ik weiger dat te accepteren. Hij laat zich nog niet aaien, niet vasthouden. Er kunnen weken overheen gaan, lees ik.

Vanochtend, na het ontbijt, stak mijn jongste zoontje zijn hand in de bak. Heel rustig aaide hij Oscar boven op zijn kopje. Oscar liet het toe én sloot zijn ogen. ‘Goed zo, Tobias!’ riep ik, groen van jaloezie.   

Ik zit hier op de laatste versie van mijn boek te ploeteren. Ik werk hard. Daarmee verdien ik geld voor krekels en andijvie en speciale UV-lampen. Is het dan echt te veel gevraagd om je íéts minder als een reptiel te gedragen?


Het boek verschijnt in maart. Abonneer je HIER op de deze stukjes.