Op de vierzits naast me in de trein zaten drie vrouwen. Twee van in de twintig, één van in de dertig. Ze kenden elkaar van een universiteit. Beleefd, intelligent, een beetje saai. Of te beleefd om in deze setting het eigen karakter vrij spel te geven, dat kan ook.

Ze praatten over algemene dingen, vakanties, de universiteit, en toen over honden. De vrouw van in de dertig had net een hond genomen. Hoe het ermee ging, vroegen de andere twee. Het gesprek verliep zoals die gesprekken verlopen. 

Maar toen vertelde diezelfde vrouw dat ze had gehoord dat er tegenwoordig veel honden worden gestolen. Bijvoorbeeld bij de supermarkt, als ze buiten staan te wachten. ‘O?’ zei één van de andere twee vrouwen. ‘Ja,’ vervolgde de eerste vrouw. ‘Maar niet om ze door te verkopen aan nieuwe baasjes. Nee, als prooi voor vechthonden. Om ze te trainen. Om ze enthousiast te krijgen over de smaak van bloed, zodat ze beter presteren in de kooi tegen een andere vechthond.’

De andere twee vrouwen waren even stil. ‘Mijn god,’ zei één van de twee toen.

Ook ik was even stil. Dat was ik al, natuurlijk, maar nu misschien ook stil in gedachten. Want waar hun gesprek me eerst met huiselijkheid in slaap had gesust doemde nu ineens dit beeld in mij op. 

Ik zag de labrador op de stoep bij de supermarkt. Vrolijk, vol vertrouwen, een tong uit zijn hijgende bek. Daarna de paar uur in een betegeld achtertuintje zonder planten, een defecte scooter als enige gezelschap. Immer vol vertrouwen. Immer braaf. Daarna het geluid van de achterdeur en de geur van de andere hond. De driftige nagels op de tegels. Het gehijg. De mannenstemmen. Het aanmoedigen.

Ik zag de labrador op het moment dat de andere hond – een bonk spier, zilvergrijs, gecoupeerde oren, brede kaken – kwijlend aanstalten maakte. Ik zag de reflexen. Ik zag de labrador snauwen, grommen, nu helemaal in de hoek van de tuin, bang, opgesloten. Ik kon het niet aanzien, zijn onwennige agressie, zo zinloos en bespottelijk, zo nieuw en onvertrouwd, zo aangelengd met verwarring en angst. Mijn medelijden met gêne doorspekt.

Ik kon ook deze vrouwen niet meer aanzien. Want ook zij waren labradors. Ik zag de angst en paniek in hun ogen, en de groteske en halfhartige reflex om met hun nagels het tij nog te doen keren.

Ik kon natuurlijk opstaan en ergens anders gaan zitten, maar ik vreesde, ik wist… Nog even, en dan zou ik ook mijzelf niet meer kunnen aanzien.


Je gratis abonneren op deze stukjes? Klik hier. Mijn laatste boek kopen? Het heet Wij zeggen hier niet halfbroer.