Een paar dagen geleden bezocht ik een conferentiecentrum in de buurt van Utrecht. Er hadden zich daar boekhandelaren verzameld; eigenaren en personeel van zelfstandige boekenwinkels die samenwerken met Libris, wat een distributeur is. (Ik weet niet of ik het nu accuraat uitleg.) De hele dag keken en luisterden ze naar auteurs. Koffie, lunch, koffie, water, koffie, koffie. Er was een grote zaal en een aantal kleinere.

Om 15:30 stond ik in zo’n kleiner zaaltje. Ik had Hanneke Groenteman gevraagd of zij me wilde interviewen; ik voel me bij haar op m’n gemak en vind het een van de mooiste vrouwen die ik ken. Daarnaast zou haar naam op het programma hopelijk wat meer publiek genereren.

Het zaaltje, met zo’n vijftig stoelen, zat gelukkig vol. Hanneke – die iedere keer dat ik haar zie weer kleiner blijkt te zijn dan ik me haar herinner, of hevig krimpt – wilde graag blijven staan, en dus bleef ik ook staan. Ze stelde me vragen over Wij zeggen hier niet halfbroer. De antwoorden lieten zich vrij makkelijk formuleren; dankzij voorgaande interviews begin ik geroutineerd te worden. Ik begin mijn boek inmiddels te begrijpen, geloof ik. Dat is gevaarlijk, want voor je het weet sta je verveeld iedere keer hetzelfde riedeltje op te dreunen. Ik moet het vers houden. Ik moet iedere keer opnieuw nadenken over wat het nou eigenlijk is, dat boek. En waarom. En hoe. Want je kúnt het helemaal niet weten. Nooit precies. En het verandert steeds. Als het goed is kijk je er iedere dag nét weer iets anders tegenaan.

Daarna de vragen uit het publiek. Vragen die ik de afgelopen weken vaker kreeg. Of het moeilijk was om over zulke persoonlijke dingen te schrijven, bijvoorbeeld. (Nee, het voelde niet anders dan het schrijven van fictie; ik was alleen maar bezig met het schrijven van een zo goed mogelijk boek.) 

Er was een mevrouw die vertelde dat ze ook kinderen had, waarvan er eentje, een meisje, een andere vader had dan de rest. (De exacte constructie ben ik vergeten.) En dat ze zich zorgen maakte en bang was dat ze – net als ik – zou ontsporen. Of ik nog advies had. Ik geneerde me. Ik ben geen goeroe, ik wil geen verantwoordelijkheid. Ook geneerde ik me voor mijn antwoord. Het leek me zo kitsch, zo makkelijk, zo voor de hand liggend. ‘Zeg haar vaak dat je van haar houdt,’ zei ik. ‘Zodat ze dat weet en zich gewenst voelt.’ Ik stond in brand. Wat een zoete troep, wat een schrijnend geval van makkelijk scoren. En toen, adding insult to injury, begon de hele zaal te applaudisseren. 

Gisteren kreeg ik een mail van een vrouw die nu al vier boeken heeft gekocht. Voor vrienden. ‘Omdat ze zich zorgen maken om hun gevoelige kinderen,’ schreef ze. ‘Ik heb dezelfde zorg, om mijn zoon. Ik heb hen geschreven: lees en vertrouw!’

Het was een tweede of derde bericht met diezelfde strekking, van mensen die het boek aan anderen cadeau doen. Als troost, zou je kunnen zeggen. En iedere keer voel ik weer die hitte tegen de binnenkant van mijn gezicht. Omdat ik het niet kan wegwuiven. Ik kan er niet cynisch over doen. Ik weet niet hoe dat moet, met lege handen staan. Of misschien moet ik zeggen met open armen.


WZHNH werd gerecenseerd door Punt., het huisblad van Avans Hogescholen. Klik hier. Je abonneren op deze stukjes? Klik hier