Als je ’s nachts in bed ligt te piekeren kan het helpen om aan een leeuw te denken. Een mannetjesleeuw die op datzelfde moment op de savanne van Afrika ligt. Want dat is het geval, dat kan niet anders. Het is daar even laat als hier. Het is nacht. Er ligt daar zeer zeker een mannetjesleeuw in z’n uppie onder de sterren. In z’n uppie, want mannetjesleeuwen zijn solitair.

Terwijl jij piekert ligt die leeuw daar. Er is niemand die hem ziet, maar jij denkt aan hem. Zijn geur is sterk, het raspen van zijn ruwe tong als hij zichzelf schoonlikt klinkt luid. Hij ligt daar in z’n eigen, kaderloze bestaansrecht. Jij denkt aan hem. Jij maakt hem een leeuw. Zelf weet hij niet dat hij een leeuw is. Hij ruikt zijn eigen geur ook niet, hij weet niet anders; die geur bestaat alleen in jouw hoofd. Er is niets dat die leeuw een leeuw maakt zonder jouw gedachten. En als de leeuw in slaap valt, en niet langer bij bewustzijn is, dan ligt de leeuw daar zonder aan zichzelf te denken. Voor de leeuw bestaat de leeuw niet meer. Er is niemand die de leeuw ziet en de leeuw ziet ook zichzelf niet. In essentie is er helemaal geen leeuw meer. (Als een boom omvalt in het bos… etc.)

Alleen jij denkt aan de leeuw, de leeuw bestaat alleen voor jou, de leeuw bestaat alleen in jouw gedachten. En je weet niet eens precies aan welke leeuw je denkt. Het is geen concrete, maar een hypothetische leeuw. In zekere zin heb jij de leeuw verzonnen. En toch is het honderd procent zeker dat op dit moment, terwijl jij ligt te piekeren, ergens op de savanne een mannetjesleeuw ligt. 


Ik dacht: ik schrijf gewoon weer een stukje. De stukjes verstuur ik ook in de vorm van een nieuwsbrief. Mijn roman heet Bidden en vallen. Morgenavond doe ik met Hanneke Groenteman mee aan het spelletje De Tafel van Taal, om 19:55 op NPO2.