Een week of twee geleden is er een ongecorrigeerde, ruwe versie van Wij zeggen hier niet halfbroer naar geselecteerde media gestuurd. Eén van de reacties kwam van tijdschrift Libelle. Ze wilden graag een interview, maar dan wel een dubbelinterview met mij en mijn moeder. Of nee, toch niet. Er volgde een tweede bericht: ze wilden liever gewoon een interview met mijn moeder. Maar ik mocht er gerust bij aanwezig zijn en zou heus de kans krijgen om ook wat te zeggen. Over MIJN boek dus.

Zo geschiedde. Ik vroeg mama of ze het wilde, en ze wilde. Voor mij, voor het succes van mijn boek (de Libelle heeft een oplage van 500.000), maar ik denk dat ze het ergens ook wel leuk vond. Ze kan goed vertellen, mijn moeder, al moet je haar wel steeds terug op het spoor van haar verhaal zetten.

Vrijdagochtend belde ze aan. Ze was er eerder dan de journaliste. Mijn oudste zoon lag ziek op de bank met mijn laptop. Oscar, midden in zijn vervelling, zat op zijn boomschors en schuurde er steeds gefrustreerd zijn rafelige kop tegenaan. Mama was nerveus. Ik vroeg haar of ze thee of koffie wilde. ‘Maakt niet uit,’ zei ze. ‘Wat je hebt staan.’ Ik zei dat ik niks had staan, maar dat ik het allebei kon maken. ‘Wat voor jou het makkelijkst is,’ zei ze, waarop ik antwoordde dat het allebei even makkelijk was. Als mijn moeder nerveus is cijfert ze zichzelf graag weg. Ook als ze niet nerveus is, trouwens. Waarschijnlijk had ze liever gehad dat ik haar gewoon helemaal niks te drinken had gegeven.

De journaliste arriveerde. Een sympathieke, kalme vrouw. Ze plaatste een memorecorder op tafel. Mijn moeder en zij zaten tegenover elkaar. Ik zat ook aan tafel, maar op afstand. Mijn zoon had ik een koptelefoon opgezet.

Al snel ging het over het boek, en dus over mijn jeugd, en dus over mijn moeder. De journaliste wilde weten hoe mijn moeder de dingen die ik heb beschreven destijds heeft ervaren. ‘Maar het moet over Henks boek gaan,’ zei mama steeds. ‘En niet over mij.’ Ze vertelde en vertelde. Ook dingen die ik nog niet wist. Ze huilde. Ze was moedig en eerlijk over alles. Het kostte haar moeite en energie. Als ze één van haar vele zijsporen was ingeslagen begeleidde de journaliste haar heel kundig en geduldig weer terug. Sommige van haar zijsporen sloeg mama bewust in, zag ik, omdat het antwoord op de vraag die haar was gesteld te veel losmaakte, te veel oud zeer opriep.

Ik zat er zogenaamd ontspannen bij. Maar eerlijk schrijven, en intiem schrijven, gaat me wat beter af dan eerlijk zíjn, en intiem zíjn. Emoties maken me kriegelig. Ik had zicht op het terrarium en keek steeds naar Oscar. Oscar de koudbloedige, solitair en afgezonderd. Aldoor schuurde hij zijn kop tegen het schors. Heerlijke, ongecompliceerde Oscar.

Toen de journaliste was vertrokken dronk mijn moeder nog een kopje thee. Ze verzorgde mijn zoon. Ze deed mijn afwas en poetste mijn fornuis. Toen ze haar jas aanhad keek ze naar mijn achtertuin en zei: ‘Binnenkort kom ik de blaadjes opvegen.’ 


Deze stukjes per mail ontvangen? Klik hier.