Er is dus een virus in mij. In mijn lichaam. Dat lichaam is eerst door het virus bedonderd en is daarna in actie gekomen: de temperatuur werd omhoog gegooid, de neusholten werden afgesloten met snot, de spieren werden uitgeschakeld. Lichaam en virus, die twee rollen vechtend met elkaar over de vloer. En ik? Ik baal en wacht af.

Mijn moeder zegt dat ik geen neusspray moet gebruiken. Want de snot maak je niet voor niets aan. Mijn lichaam weet het beter dan ik; ik moet me er niet mee bemoeien.

Dus ik ben met zijn drieën. Virus, lichaam, geest. Maar wie ben ik dan? Ik identificeer me het sterkst met mijn geest, maar dat is, als mijn lichaam het effe moeilijk heeft, natuurlijk ook lekker makkelijk. Straks, als ik weer beter ben en de zon schijnt, als ik fluitend op mijn fiets door de stad scheur, dan maak ik tussen ziel en vlees geen onderscheid meer.

De geest is een lafaard. Zodra het lichaam in de problemen komt neemt hij er afstand van. Geïrriteerd en ongeduldig staat hij naar de herstelwerkzaamheden te kijken, als de bewoner van een huis na een heftige storm. En als het lichaam dan, na dagenlang keihard te hebben gevochten, weer helemaal tiptop in orde is, springt de geest er snel terug in. Doet hij alsof hij nooit is weggeweest.

Deel de stukjes als je ze leuk vindt. Ik verstuur ze ook per mail. Ik schreef een roman: Bidden en vallen.