Donkerte. Het gedeelte van de nacht waarin je nooit honderd procent zeker kunt weten dat je niet droomt. Mijn jongens liggen vlak achter de wand van mijn slaapkamer, hun bedden aan weerszijden van de trap, op een stukje overloop. Mijn oudste praat in zijn slaap. Koortsdromen; hij is ziek. Mijn jongste hoor ik hoesten. Ik staar naar het plafond, wacht op het moment waarop ik zal opstaan, zal gaan kijken, troosten, kalmeren, bekertje water halen.

Het is net iets te tochtig in dit huis. Een tijdelijk huis. Een huis tussen levensfases in. Een bunker om in te schuilen.

Een woning voor iemand alleen. Voor een man alleen. Vaak als ik mijn jongens hier heb voel ik me arm, ontoereikend, onhandig. Dan moet ik me krotwoningen in India voorstellen om deze plek weer riant en luxe te maken.   

Nu hoor ik ze praten. Mijn oudste, doodziek, zegt tegen zijn hoestende broertje: ‘Je moet een slokje water drinken. Dat helpt.’ Mijn jongste zegt: ‘Ik kan het bekertje niet vinden.’ Ik wil overeind komen en helpen maar ik blijf liggen. Ik hoor dat er een lampje aangaat. ‘Daar staat je bekertje,’ hoor ik. Dan de slokjes en het slurpen. Het lampje gaat weer uit. ‘Weltruste,’ zeggen ze tegen elkaar.

Nooit eerder voelde ik me zo verwant met ze. Met z’n drieën op de zolder van een huis dat niet het onze is. Lotgenoten wachtend op de slaap. Gezichtsloos in het donker, in elkaar overgevloeid. Eén adem.   

Stukjes, stukjes. Ook per mail als je dat liever hebt. Ik schreef een boek: Bidden en vallen.