Dus mijn hart sloeg steeds een slag over. Ik voelde druk op mijn borst. Ik ging naar de dokter. Ik moest foto’s laten maken, bloed laten prikken. Niks te zien. Eigenlijk moet ik nog een hartfilmpje laten maken, maar ik geloof het zo ook wel. Ik krijg geen hartaanval. De huisarts wist dat allang; hij wist alleen dat ik hem niet op zijn woord kon geloven. Er hing voor mij te veel vanaf. Je weet wel: sterven of niet sterven.

Wat het is, is dat ik simpelweg kwetsbaarder ben dan eerst. Mijn hart kan niet langer alles aan. Het is een vogeltje in een mijn geworden; als het raar begint te doen weet ik dat er iets mis is. Laatst lag ik ’s ochtends naast een meisje. Mijn hart sloeg op hol. Ik had iets gebruikt om langer wakker te blijven, daarna iets om in slaap te vallen. Mijn hart sloeg twee, drie keer per seconde. Het scheurt, dacht ik. Het scheurt dadelijk.

Te veel verdriet, te veel stress. Dat soort dingen. Beetje op letten. Te veel drank. Vrezen verliefd te zullen worden en het dan niet blijken te zijn. Een slechte recensie, een goede recensie. Boem, boem… Het vogeltje valt stil, om dan hysterisch te gaan kwetteren en trillen.

Aan tafel met mijn ex en de scheidingsbemiddelaar, een mevrouw met een aktetas. De vereiste documenten. Mijn ex en ik ieder onze eigen map. De mevrouw kan ons vijfhonderd euro korting geven. Omdat we zo makkelijk zijn.

Dat is waar. In principe ben ik makkelijk. In principe klopt dit hart naar behoren. Een menselijk hart heeft acht eigen pacemakers, zei de huisarts. Acht pacemakers! En toch kan het stuk. Dat voel ik nu. Dat ik niet onsterfelijk ben. Maar ook dat er zorg voor me wordt gedragen. Dit lichaam is vergevingsgezind.

Eerder schreef ik matters of the heart pt 1, die vind je HIER. Ook schreef ik een roman: Bidden en vallen. Die vind je… nou ja… in de boekenwinkel.