Ik was op muziekfestival Down The Rabbit Hole om wat te vertellen over schrijven.

Het was 11:00 en het terrein nog zo goed als verlaten, iedereen nog slapend in z’n tentje. De locatie van mijn praatje was een houten kerkje. Ik had geen publiek; we besloten wat later te beginnen.

Er kwam een Vlaamse dame binnen. Speciaal voor mij, zei ze, omdat ze me een dag eerder, in een andere tent, waar ik helemaal niet was, ook al een verhaal had zien vertellen, en dat had ze heel goed gevonden. Het bleek Rutger Lemm te zijn geweest, die kleiner is dan ik en geen tatoeages heeft. ‘Je lijkt sprekend op hem,’ zei ze. Ik wees naar mijn tatoeages. Ze haalde haar schouders op. Nu is het dus officieel: tatoeages maken echt op niemand meer indruk.

Uiteindelijk druppelden er nog een man of vijftien binnen. Eén brak stelletje hoorde me een minuut aan en vertrok weer. 

Na afloop van mijn verhaal vertelde een vrouw dat ze dacht non-fictie wel te kunnen schrijven, maar dat fictie haar onvoorstelbaar moeilijk leek. Ik antwoordde dat voor mij het verschil niet zo groot is. Materiaal is materiaal, of het nu in je hoofd is ontstaan of daarbuiten. Personages zijn personages, echt of verzonnen. En veel van de afwegingen zijn hetzelfde: begin ik met een beschrijving, met dialoog, met een analyse? Wat laat ik weg, wat niet? Wat is belangrijk? Wat is het verhaal? Bovendien wordt non-fictie altijd pas naderhand opgeschreven, en dus put je uit herinneringen, notities en geluidsopnamen. Het verleden ís al fictie.

Ik vertelde dat ik altijd alert ben op emoties, op de kleine gebeurtenissen, omdat ik daarin het materiaal voor mijn stukjes vind. Als ik ontroerd ben, of me rot voel, of gefascineerd ben door iemand in de trein, dan gaan er alarmbellen af. Want die ontroering, die komt ergens vandaan, daar zit iets, en dat is wat ik zoek. 

‘Maar is dat niet ook vervelend?’ vroeg een meisje. ‘Dat je op het moment zelf meteen bezig bent met een nieuw stukje?’ Ik knikte. Want het is zo: een moment, of een emotie, kan ik vaak niet ondergaan zonder er in gedachten al de eerste woorden over te typen, waarmee ik een scherm optrek tussen mij en de ervaring. Ik zei dat ik die reflex desondanks niet kwijt zou willen, omdat ik verder nergens goed in ben.

Na afloop liep de kerk leeg. Ik stond nog een beetje te dralen. Het praten had me uitgeput. Dat voel ik altijd pas wanneer ik weer mag zwijgen. En er is een soort gewetensnood, omdat ik vermoed dat ik de dingen net iets anders heb verwoord dan ik bedoelde.

Ik keek door de deuropening naar buiten. Het was inmiddels gaan regenen. Ik wist: hier zit een stukje in.


Leuk als je mijn stukjes wilt delen. Ik verstuur ze ook als nieuwsbrief. Mijn roman heet Bidden en vallen.