Mijn moeder heeft een paar oude videofilmpjes laten omzetten naar DVD. In de jaren tachtig kochten zij en mijn stiefvader blijkbaar ooit een Video 8 filmcamera. Op haar verjaardag, afgelopen zondag, bekeken twee van mijn halfbroers en ik de filmpjes. Verbijsterd. We zagen onszelf spelen in de branding. Smalle torso’s, gladde huid, rode gezichten. De filmpjes hebben geen geluid. Alles gebeurt in stilte. Ik keek naar ons. Naar wie we waren. ‘Herinner je je het niet?’ vroeg mijn moeder. ‘Nee,’ zei ik. ‘Alleen die handdoek.’ Mijn jongere ik drapeerde zichzelf in een rode handdoek en deed alsof het een cape was. Ik keek naar een volslagen vreemde en tegelijkertijd naar een spiegelbeeld dat, schijnbaar, buiten de tijd is blijven stilstaan. Dat ventje zit nog steeds in me, het voelt alsof er alleen maar lagen omheen zijn gegroeid. Hij maakt geen geluid, niet op film, maar ook niet in mij. Of misschien praat hij heel zacht en luister ik niet aandachtig genoeg. ‘Ongelofelijk,’ mompelde ik, toen ik mezelf gek zag doen, en mijn jongste broer om me zag lachen, daar op dat strand. Ook in het echt, in het huis van mijn moeder, lachte hij. Hij lachte dus met z’n tweeën. Ik lachte ook, maar ik voelde ook dat ik bijna moest huilen. ‘Wat betekent melancholisch?’ vroeg mijn zoontje, nadat ik dat woord had uitgesproken. ‘Dat je een soort zak binnenin je hebt,’ zei ik. ‘Waar heel veel mooie dingen inzitten waar je net niet bij kunt, en waar je dan een beetje verdrietig van wordt.’ Hij knikte begripvol en ging spelen. De filmpjes waren afgelopen. Mijn broers trokken een biertje open en liepen de zon in.