Mijn oudste zoon en ik hebben veel conflicten. Hij heeft de retoriek van een volwassene, het gebrek aan concentratie en de impulsiviteit van iemand met ADHD, en het geduld van zijn vader. Hij en ik lijken zoveel op elkaar dat ons samenzijn vergelijkbaar is met kernfusie.

Sinds een tijdje loopt hij rond met een eigenaardig kapsel. Hij had halflang, blond haar, maar omdat het in zijn ogen kwam heeft hij het boven zijn voorhoofd weggeknipt. Nu lijkt hij een beetje op een middeleeuwse monnik.

We duwen elkaar hard weg, maar we houden elkaar hard vast. Hij groeit als kool; iedere keer gaat het knuffelen een beetje onhandiger. Zijn botten worden harder, zijn ellebogen scherper. 

Op school gaat het niet goed. Hij is te druk, te snel afgeleid, en hij leidt ook anderen af. Er zijn kinderen die over hem klagen bij de juf. De juf zet soms een schot op zijn tafeltje dat hem afschermt van de rest van de klas. Toen ik na school een keer de klas binnenkwam, en dat schot zag staan, moest ik bijna huilen. Zijn juf sprak tegen me, legde uit waarom het nodig was en dat het momenteel echt niet goed ging, en achter haar zag ik hem staan, met zijn verminkte kapsel, en de woede en de gekwetstheid in zijn ogen.

Die middag was ik naar tegen hem. Mijn lontje was te kort. Als hij weer niet naar me luisterde dacht ik: Kijk, en hierom gaat het dus niet goed, hierom heb je dat schot op je tafeltje. Ik nam het hem kwalijk. Niet bewust, maar diep van binnen, waar ik er niet bij kon komen.

Soms is het moeilijk om te weten waarom je wil dat je zoon het beter doet. Voor hem, of voor jezelf. 


Laatste stukje van de week. Zoals je misschien al weet verstuur ik de stukjes ook per mail. Mijn roman heet Bidden en vallen. Morgen in Volkskrant Magazine lift ik mee met Mei Li Vos.