image

Vandaag verscheen het nummer van Nieuwe Revu met daarin mijn laatste vaste bijdrage. Dat is vreemd. De afgelopen drie jaar stond ik er wekelijks in. Eerst twee jaar lang met Van Straten gaat vreemd, toen een jaar met De rechtszaak en sinds een paar weken met Henk van Straten ontdekt. Drie jaar lang was het iedere week: op pad, deadline, schrijven, inleveren. Het begin van die eerste rubriek betekende het einde van mijn werk in de horeca. Officieel leefde ik van de pen. Ik was eu-fo-risch.

In drie jaar tijd zag ik drie hoofdredacteuren komen en gaan. Ik knuffelde in stilte met stieren, stierf op het podium tijdens een stand-up comedy open mic night, vloog naar Tokio, liet me aanvallen door een politiehond en bereidde GHB aan mijn eettafel. Slechts een kleine greep van mijn avonturen. Na sommige reportages duurde het lang voordat de gêne helemaal was weggeëbd. In de rechtszaal zag ik mensen veroordeeld worden of vrijkomen met de schrik. Soms ook zonder schrik. Of spijt. Ik zag een vrouw huilen en trillen en dacht dat ze zou verdwijnen, zou verdampen van ellende.

Het einde kwam abrupt en onverwacht. De redactie had het idee dat de lezers wel een beetje klaar waren met mijn rechtbankverslagen. Ze wilden graag iets nieuws. Zelf had ik er nog wel even mee door kunnen gaan. We besloten terug te keren naar de formule van Van Straten gaat vreemd – het ontdekken van subculturen en eigenaardige werelden – maar dan met twee keer zoveel woorden, meer ruimte voor verdieping en detail. Omdat ik twee keer zoveel woorden ging schrijven, mocht ik ook een hoger bedrag factureren. (Nee, niet twee keer zo hoog.) Mede door dat vooruitzicht had ik er ook weer echt zin in, zag ik er weer naar uit om mooie, lange reportages te maken. Maar toen, na er drie te hebben geschreven, kreeg ik een mailtje van de hoofdredacteur: Sanoma was met de hakbijl langsgekomen op de burelen. Bloed op de wanden, ledematen in de gang. Of ik dus de nieuwe rubriek kon schrijven tegen dezelfde vergoeding als daarvoor. Ik zei nee. In mijn stelligheid zat zeer zeker ook iets van stomme trots, dat geef ik toe. Die avond stond ik met een biertje naar de band Stuurbaard Bakkebaard te kijken in de Effenaar. Ik had het erover met een goede vriend. Toch wel handig, zeiden we, zo’n vaste rubriek. Zeker naast het schrijven van een nieuwe roman. Maar helaas: nog diezelfde dag was de rubriek al naar een ander gegaan. Ik was hem kwijt. End of an era, as they say. Of, zoals hier in Eindhoven: End of an area.

Dus het is klaar. Ik sta niet langer met twee benen op mijn journalistieke bakermat. Wel met één, want ik blijf stukken voor ze schrijven. Maar vanaf nu zal ik meer om me heen moeten kijken. En ergens wilde ik dat sowieso al wel. Andere bladen, media, whatever. Heb laatst zelfs met een reclamebureau om de tafel gezeten. Dus wie weet, misschien is het wel beter zo. 

Enfin. Vandaag dus de laatste. Ik bezocht een avond voor vrouwen in de provincie, met massages, lederen tassen, chocola en lekkere likeurtjes. En kleuradvies van een professional. Als je het nummer wilt kopen: zoek dan naar de cover met prinses Amalia. Er is sowieso nogal wat over dat nummer te doen, geloof ik. Rechtszaak aangespannen door de RVD en zo. Misschien kan ik er een stukje over schrijven. Ha. 

PS Ik kreeg veel reacties op twitter op deze mededeling. Veel steunbetuigingen. ‘Komt vast goed’ en ‘Och jongen toch.’ Misschien ben ik wat te somber van toon geweest. Ik wil dus nu nog even benadrukken dat ik hier ook veel góede dingen uit zie voortkomen. Bijna al mijn tijd en energie stak ik in mijn werk voor de Revu. Maar nu heb ik dus de mogelijkheid om meer van mijn werk bij ándere mooie bladen aan te bieden. Ik schrijf de laatste tijd al af en toe voor Volkskrant Magazine en had natuurlijk sowieso al mijn incidentele publicaties in Vrij Nederland

Oké, dat was het. Fijne avond.