Hij ligt naast me op tafel, Thomas Blondeau. Zwartwit, opengevouwen, broodkruimels op zijn trui en in zijn haar. Op de pagina naast hem een in memoriam van zijn vriend en collega-auteur Christiaan Weijts. Op vijfendertigjarige leeftijd gestorven na een hartslagaderbreuk. Uit het niets. Hij kijkt me aan. Ik lees dat hij dood is en ik schrik. Natuurlijk: ik schrik omdat hij dood is, maar ik schrik ook omdat ik mezelf betrap op de volgende gedachte.

Ik ben een vijand kwijt.

Blondeau en ik waren niet dol op elkaar. Ik kan natuurlijk niet weten wat hij dacht, maar toch, ik heb het vermoeden dat ik ook namens hem spreek. We hebben, volgens mij, nooit met elkaar gesproken, en toch mocht ik hem niet. Ik zag hem als de archetype auteur. Colbertje aan, hoogdravend doen over literatuur. Een hautain mannetje. En ik wist ook hoe hij mij zag. Ik was een boertje uit Eindhoven. Een provinciaal met tatoeages die zijn uiterst geringe successen te danken had aan gratuite recalcitrantie en hippe literatuur light

Zonder dat we elkaar hadden gesproken, zonder dat ik het in de gaten had gehad, was ik hem gaan zien als een vijand. Ik gunde hem geen goede recensies. Ik vond het fijn als er amper publiek aanwezig was bij zijn lezingen. Ik hoopte dat de door hem samengestelde bundel, Agents-Provocateurs: 20 onder 35, zou floppen. ‘Een selectie van de origineelste jonge schrijvers uit Nederland en Vlaanderen’, stond er op het omslag. Ik was er niet in opgenomen. Dat had hij expres niet gedaan, die klootzak.

In het mooie artikel van Weijts lees ik over Blondeau’s stokoude, zwarte Mercedes. Over een Leids Letterendispuut en over een universiteitsblad. Over glazen champagne op het dakterras. Over de humor die ze samen hadden: ‘Een steekspel van ironie die soms doorsloeg naar cynisme of sarcasme.’ Ik lees het en krijg het benauwd. Het is precies dat ‘bohémienbestaan’, dat hyper-intellectualisme, dat gedurende zijn leven, gedurende mijn leven, steevast irritatie bij me heeft opgewekt en kwaad bloed bij me heeft gezet. Hij ging er symbool voor staan, werd er de naamdrager van.

Ik was bang voor Thomas Blondeau. Hij intimideerde me. Zijn wereld intimideerde me. Ik zag mezelf door zijn ogen – ik vóelde me een boertje, ik vóelde me een provinciaal met tatoeages – en nam hem dat kwalijk. Mijn onzekerheid kanaliseerde ik via animositeit.

En het wrangste blijft natuurlijk: ik weet helemaal niet of hij inderdaad zo over me dacht. Misschien voelde hij zich net zo goed geïntimideerd door míj. Of misschien – en deze kans acht ik groter – dacht hij überhaupt niet over mij na. Na iemands dood ben je geneigd diegene op te hemelen, maar dat wil ik nu niet doen. Want eerlijk: nog steeds denk ik dat hij me niet hoog had zitten. Dat vermoeden is niet weg te redeneren. Maar al is dat zo, het doet er helemaal niet toe. Wat ertoe doet is dat ik – en waarom ik – hém niet mocht. 

Voel ik me er nu schuldig over? Of rot? Niet echt. Er is eerder sprake van berusting. De vijand is er niet meer. Niet omdat de vijand dood is, maar omdat ik nu inzie dat ik nooit een vijand gehád heb. Dat lucht op. Ik zou hem nu wel willen leren kennen, die Blondeau.   

Hij ligt hier naast me. Nog steeds voel ik me bij hem niet helemaal op m’n gemak. Met die priemende blauwe ogen van ’m. En hij wéét dat. Hij leest wat ik schrijf en schudt zijn hoofd. Hij ziet me ploeteren en lacht hooghartig. ‘Wil het een beetje lukken met dat pauperproza van je, boertje?’ 

Dus ik doe nog beter m’n best. Voor hem. Daarna veeg ik de broodkruimels van zijn trui en uit zijn haar. En vouw ik hem netjes dicht.