Ik werd geplaagd door een mug. Of eigenlijk helemaal niet geplaagd. Alsof een mug ooit plaagt. Maar rond een uur of twee zat er dus eentje. Ik was direct wanhopig. Dat heb eigenlijk altijd, dat ik bij één mug direct wanhopig ben. Ik heb sinds kort een hor voor het raam, dus bovenop de wanhoop komt dan ook nog verontwaardiging. Als ik de mug meteen vind en doodsla ben ik redelijk snel weer gekalmeerd, maar als het te lang duurt voel ik de wanhoop en concentratie mijn restje slaap wegduwen en weet ik dat ik niet snel meer zal inslapen. Dat maakt me nog wanhopiger.

Deze mug kon ik niet vinden. Opnieuw en opnieuw speurde ik de muren af met mijn felle LED-zaklamp van de Action. Niets, nergens. Ik keek naar mijn bed en aarzelde, maar het had geen zin; zolang ik wist dat de mug er was zou ik niet kunnen slapen. Ik pakte de gare, stoffige klamboe die al sinds vorige zomer in de kast ligt (ik heb tenslotte een hor) en ging daaronder liggen niezen en wanhopen tot ik in slaap viel.

De volgende ochtend, voordat ik naar beneden ging voor mijn Honey Loops en gekookte eitjes, speurde ik nog een keer de kamer af. Ik weet dat muggen als het licht is op donkere ondergronden gaan zitten, zodat je ze niet kunt vinden. En inderdaad. Ze (want alleen de vrouwtjes steken) zat op de zwarte zak die hoort bij het pak dat ik nooit draag maar toch niet heb opgeborgen in die zak. Eén hand kwam van achteren, één van voren. Ze had geen enkele kans.

Ze lag stil. Eerst liet ze nog geen bloed los, maar even later, toen ik met een vinger op haar drukte, om haar extra dood te maken, wel. Het was alsof het zakje knapte waarin ze mijn bloed had bewaard. Dat vond ik ineens aandoenlijk, zo’n draagtasje bloed, dat ze had beschermd en gekoesterd als het ware een mandje met een baby erin. Heel even dacht ik: Mug, mijn bloed is jouw bloed. En ik baalde flink, want tot op heden was het dooddrukken van een mug voor mij een groot genoegen geweest. Dat lolletje was er goed vanaf.

Later die dag stofzuigde ik een heel dikke mot op. In de buis, toen ze naar binnen werd gezogen, ritselde het flink. Ik had medelijden en dacht: Och, die had ik eigenlijk eerst dood moeten maken. Maar toen beeldde ik me in hoe die mot in de stofzuigerzak heerlijk zat te genieten van al het stof dat op haar werd geblazen, comfortabel en warm. Ze vrat ervan en groeide, en groeide, om daarna, later, straks, volgende week, ’s nachts, als een enorm monster uit die stofzuiger tevoorschijn te kruipen en mij met een grote wijsvinger dood te drukken. ‘Ik zal jóúw zakje met bloed eens laten knappen!’ zal ze roepen.

De rest van de dag verliep gelukkig vrij rustig.


Stukjes per mail? Ja? Nee? Ja? Als je per se wilt klik dan hier. Mijn roman heet Bidden en vallen en is nú te koop.