De trein van Eindhoven naar Utrecht. Als ik instap is de coupé halfgevuld maar de instroom is aanzienlijk; je weet dat het vol komt te zitten, of in ieder geval zo goed als. Ik spot een vierzits. Zo’n groene, krappe. De bank aan mijn zijde kan ik nog niet zien; ik kijk tegen de achterkant van de rugleuning aan. De overzijde zie ik wel. Er zit een man bij het raam. Hij is groot en vlezig. Wit. Overhemd onder een trui, een degelijke bril, kort grijzend haar, een beige broek. Doet me denken aan Henk Krol. Hij heeft zijn benen zijwaarts gedraaid, zodat hij ook de stoel naast hem bezet. Hij kijkt niet naar de instroom van mensen. Expres niet. Zolang hij geen blik vangt kan hij zichzelf voorhouden dat er geen beroep op hem wordt gedaan.

Ik blijf naast hem stilstaan. ‘Mag ik hier zitten,’ zeg ik. Er staat geen vraagteken aan het einde van die zin.

Nog voor hij goed en wel klaar is met het weghalen van die logge benen ga ik zitten. Hij kijkt me niet aan, het gaat niet van harte. Hij baalt van de drukte, van de krappe bank.

Nu ik zit zie ik de bank tegenover ons. Zijn zoon zit daar, ook bij het raam. Ook vlezige benen, ook een degelijke bril. Een buikje, een blikje Coco-Cola voor zich op tafel. Het type jongen dat in de pauzes niet naar buiten gaat omdat hij geen zin heeft in de pesterijen op het schoolplein. Op de stoel naast hem liggen zijn rugzak en jas. De instroom is nog niet klaar. Mensen zoeken naar plaatsen. De vader zegt niet: ‘Zoon, haal je spullen daar even weg.’ De vader kijkt uit het raam en de zoon kijkt op een telefoon.

De trein vertrekt. Ik voel de vader naast me naar een fijne houding zoeken. Dat lukt niet, omdat ik weiger me kleiner te maken. Dat voelt hij; hij durft zijn massa niet de ruimte te geven. Hij werpt een blik op de tatoeages op mijn handen.

Wanneer we in het donker de Bijenkorf voorbijrijden tikt de vader zijn zoon op de knie en wijst hem op de lichtjes waarmee de Bijenkorf nog steeds is versierd. De jongen knikt. Het contact is een beetje knullig, een beetje onwennig. Als we iets later het PSV-stadion passeren tikt de vader zijn zoon opnieuw op de knie. Hij knikt naar het stadion. ‘Mooi,’ zegt de jongen, plichtsgetrouw en welwillend. ‘Mwoa,’ zegt de vader, en grijnst dan. De jongen ziet de grijns en grijnst ook, plots met warmte in zijn ogen. Ze zijn niet voor PSV. Ze delen dit.


Vanavond interview ik Lize Spit in boekhandel Van Piere te Eindhoven. Hier meer info. Abonneren op deze stukjes kan hier.