Soms wacht ik met het aanzetten van de wasmachine tot vlak voor ik ga slapen. Tijdens het lezen hoor ik hem dan water spuwen en rommelen. Als hij vervolgens goed en wel aan het wassen is val ik in slaap. Het heeft iets rustgevends, het zwoegen van dat apparaat, onder me, een verdieping lager. Alsof er daar nog iemand geconcentreerd met iets bezig is. Alsof hij elk moment naar me kan fluisteren: ‘Ga maar slapen, ik maak dit nog even af.’

Dan – en dit vind ik het lekkerst – word ik wakker van het centrifugeren. Omdat mijn bed trilt. Heel even – slaapdronken – denk ik dan: Shit, wat gebeurt er? Alleen maar om te beseffen dat het de wasmachine is. Die opluchting is heerlijk. Die geruststelling voelen, en dan weer verder slapen. Daar doe ik het voor.

Het is een soort zelfbevrediging. Eerst een kleine opbouw van paniek, dan de ontlading van de geruststelling.

Misschien is het ook een soort surrogaatgeruststelling. Een gefabriceerde geruststelling die me het gevoel moet geven dat álles goed is. Dat er níks aan de hand is. Die dus ook dat diepere gevoel van onrust en die hardnekkigere en permanente bron van angst moet bezweren. Die toon, die frequentie, die er altijd is, maar die ik soms alleen maar kan horen als het stil en donker is. Die schim die geen naam heeft, geen vorm, geen gezicht, geen kaders.

Of misschien ook niet. Misschien zwets ik maar wat. Misschien neem ik me de hele dag voor om de was te doen en kom ik er pas ’s avonds aan toe.


Deze stukjes verstuur ik ook als nieuwsbrief. Mijn roman heet Bidden en vallen.